MOVIES. Bill Nighy: “Heel weinig scenaristen kunnen natuurlijke dialogen schrijven”

Bill Nighy is een van die acteurs die je vooral kent van kleinere rollen. Van ‘Love Actually’ tot ‘The Best Exotic Marigold Hotel’ en van ‘Pokémon: Detective Pikachu’ tot ‘Pirates of the Caribbean’ (daar weliswaar verborgen achter digitale tentakels), de lijzige Brit bewijst keer op keer zijn onschatbare waarde. Met het relatiedrama ‘Hope Gap’ laat hij zien dat hij ook in een hoofdrol indruk maakt.

‘Hope Gap’ is gebaseerd op een theaterstuk. Merkte je daar iets van op de filmset?

Bill Nighy: “Enkel dat het script uitstekende dialogen had. Dat vind je niet vaak. Heel weinig scenaristen kunnen natuurlijke dialogen schrijven, zoals mensen praten. Het is niet moeilijk om personages op papier te zetten die praten zoals personages in films of op televisie. Dat is een heel andere taal. William Nicholson, de man achter ‘Hope Gap’, kan dat wel. Richard Curtis, met wie ik onder meer ‘Love Actually’ en ‘About Time’ heb gemaakt, heeft dat talent ook. Zijn dialogen zijn bovendien heel geestig en intelligent. Als je zo’n script in handen krijgt, is het dus altijd een beetje Kerstmis.”

In ‘Hope Gap’ deel je het scherm met Annette Bening. Hoe was die ervaring?

“Heerlijk. Zij was de andere grote reden waarom ik de film absoluut wou doen. Ze is een droom om mee samen te werken. En ze is een prachtige persoon. Je geniet van haar gezelschap. Ik vond het heel plezierig om ruzie te maken met haar. En zij met mij.” (lachje)

Je personage blijkt al een hele tijd met een pijnlijk geheim rond te lopen. Denk je dat jij eerder de koe bij de horens zou vatten?

“Dat zou me verbazen. Ik kan lanterfanten op Olympisch niveau. Zaken laten aanslepen is een van mijn aangeboren talenten. Ik ben altijd al zo geweest. Toen ik 15 was, ben ik weggelopen naar Parijs. Ik zag mezelf als de nieuwe Ernest Hemingway, F. Scott Fitzgerald of James Joyce, en ik was vastbesloten om het ultieme Engelse kortverhaal te schrijven. En ik ben erin geslaagd om geen woord op papier te zetten.”

Wat is voor jou de essentie van een goed script?

“Behalve goeie dialogen en een deftige structuur? Dat de film eerbare bedoelingen heeft. Het hoeft daarom geen emotioneel drama te zijn. Ik geniet evenzeer van genrefilms. Ik voelde me heel gelukkig als vampier, zoals in ‘Underworld’. Of als zombie, zoals in ‘Shaun of the Dead’. Of zoals een halve inktvis, zoals in ‘Pirates of the Caribbean’. Enfin, in het begin voelde ik me daar ellendig omdat ik zo’n nauwsluitend computerpak moest dragen en 250 witte stippen op mijn gezicht had waar ze later de computeranimatie konden op kleven. Maar na twee weken vonden ze geen nieuwe grappen meer en kon ik ervan genieten.” (lacht)

Je maakt geen onderscheid tussen kunstzinnige en commerciële films?

“Ik vind ‘commercieel’ een mooi woord, omdat het wil zeggen dat je het publiek erbij betrekt. Natuurlijk kan je het cynisch aanpakken en iets maken wat enkel bedoeld is om een handvol mensen rijk te maken. Dan hoeft het voor mij ook niet. Maar op zich is ‘commercieel’ geen woord waarvoor je je moet schamen. Het is goed om aantrekkelijk te zijn voor veel mensen. Veel films noemen zichzelf ‘kunstzinnig’ als een soort alibi, omdat ze de moeilijkste elementen niet voor elkaar krijgen. Een goed einde verzinnen bijvoorbeeld, of een duidelijke betekenis.”

Wat is voor jou de definitie van een goeie regisseur?

“Iemand die acteurs begrijpt. Hij of zij hoeft daarom niet per se zelf geacteerd te hebben. Het is zoals met een voetbaltrainer. Die hoeft ook geen uitzonderlijk voetbaltalent geweest te zijn. Ik denk dat het zelfs bijzonder frustrerend moet zijn als je zelf op het allerhoogste niveau gevoetbald heb en dan met minder begenadigde spelers moet omgaan. (lacht) Een goeie regisseur begrijpt dus niet alleen de technische problemen, maar kan ook goed communiceren. Er zijn maar weinig mensen die dat kunnen. En die niet geïrriteerd raken en altijd volstrekt beleefd blijven. Dat vind ik enorm belangrijk. Al de rest is amateurisme.”

Interessant dat je over voetbal begint. Ben je een fan?

“O ja. Maar niet van een specifiek team. Ik hou niet van stammencultuur en vlaggengezwaai. En ik ben gulzig. Ik wil alle wedstrijden met evenveel plezier kunnen bekijken. Het is bijna een obsessie. Het maakt niet uit welke competitie. Ik bekijk het allemaal. Mijn televisie is mijn tempel, mijn altaar. Ik neem alles op en kies er dan de beste wedstrijden uit. De laatste tijd kijk ik vooral naar Italiaans voetbal.”

Heb je zelf ooit gevoetbald?

“Als jongen. Ik ging naar een ‘grammar school’, de plaats waar de middenklasse gecreëerd werd. Zo werden kinderen van 11 toen opgedeeld. Vreselijk systeem, en ze proberen het weer in te voeren. Soit, de chique sport op die school was rugby. Voetbal was voor het plebs. Maar ik deed niets liever met mijn vrienden. Ook al bakte ik er niet veel van. Mijn brein vertelde me wel wat ik moest doen, maar de rest van mijn lijf weigerde te volgen.” (lacht)

Ruben Nollet

@rubennollet