MOVIES. François Ozon neemt het in ‘Grâce A Dieu’ op tegen de katholieke kerk

MOVIES. François Ozon neemt het in 'Grâce A Dieu' op tegen de katholieke kerk
Foto Filmcoopi

‘Grâce à Dieu’ volgt drie slachtoffers van pedofilie in hun gevecht tegen de katholieke kerk. Achter de camera staat de hyperactieve François Ozon, die bekend is om zijn popkomedies (‘8 Femmes’, ‘Potiche’) maar ook voor zijn verontrustende drama’s (‘Frantz’, ‘Swimming Pool’). We spraken met hem op het Filmfestival van Berlijn, waar hij met de Zilveren Beer aan de haal ging.

Je wou eigenlijk een documentaire maken. Wanneer heb je beslist dat het fictie zou worden?

François Ozon: “Ik heb heel veel research gedaan over de beweging ‘La Parole Libérée’, die centraal staat in de film. Ik praatte met alle slachtoffers, hun ouders en kinderen. Dat leverde zoveel materiaal op, dat het bijna onderzoeksjournalistiek was. Maar ik begreep al snel dat de slachtoffers, die al heel veel onthuld hadden, liever een vorm van fictie zagen.”

Waarom bestaat het scenario uit drie luiken?

“Dat is gebaseerd op de realiteit. Ik heb eerst de getuigenis van Alexandre (gespeeld door Melvil Poupaud) ontdekt en wou aanvankelijk de film over hem alleen maken. Maar toen zag ik dat het verhaal veel verder ging en dat er andere personages bij betrokken waren. De structuur van de film komt van dat domino-effect. Alexandre levert zijn strijd binnen de kerk, François (Denis Ménochet) betrekt de media erbij en Emmanuel (Swann Arlaud) focust op het juridische aspect. Het is een ongebruikelijke structuur, want mensen zijn het niet gewoon dat een personage al na 45 minuten verdwijnt. Behalve dan in ‘Psycho’ van Hitchcock.”

Je hebt de namen van de betrokken priesters gebruikt.

“De zaak is heel bekend in Frankrijk (het proces tegen kardinaal Barbarin, dat veel media-aandacht kreeg, resulteerde in een beroepsprocedure. Paus Franciscus I heeft zijn ontslag geweigerd, in de naam van het vermoeden van onschuld). Ik gebruik dus de echte naam van de kardinaal, van de psycholoog van de kerk en van de priester. Alles wat ze gezegd hebben, is opgenomen en openbaar gemaakt in kranten en boeken.”

De kerk zet blijkbaar ook veel druk om de film niet uit te brengen in Frankrijk?

“Ik was verbaasd dat ze de release proberen dwarsbomen, ook al was dat te verwachten. Frankrijk is een land van creatieve vrijheid. Het gaat tussen die vrijheid en een vermoeden van onschuld dat moeilijk te bewijzen is, aangezien priester Preynat dertig jaar geleden alles heeft opgebiecht. Kardinaal Barbarin werd aangeklaagd omdat hij de daden van zijn priester niet aan het licht heeft gebracht. Het vermoeden van onschuld is dus erg zwak.”

Heeft je film politieke draagwijdte?

“Aanvankelijk was het de bedoeling intieme verhalen te vertellen. Toen ik aan het scenario werkte, begon ik te beseffen dat het onderwerp een politiekere dimensie kon krijgen. Maar dat was niet mijn eerste keuze. Ik ben er nu wel blij mee, ondanks de druk. Je voelt dat veel mensen deze film liever niet zien uitkomen. Maar het is geen politieke film, anders had ik wel oplossingen aangedragen. Mijn film is sociaal bewust en stelt vragen.”

Hij lijkt wel minder persoonlijk dan je vorige films.

“Misschien geeft het onderwerp die indruk. Het gaat over mensen een stem geven, dus ik heb geluisterd. En ik ben ook geen regisseur met zo’n groot ego dat ik in elke film mijn wereld moet tonen. Ik doe graag eens iets anders. Een beetje zoals de Hollywoodregisseurs van de jaren ’40, die van een musical switchten naar een drama of western.”

Geloof je in God?

“Alleen als ik het vliegtuig neem. (lacht) Ik ben katholiek opgevoed, maar ben niet meer gelovig. Toen ik aan de film werkte en getuigenissen verzamelde, dacht ik terug aan een heel rare priester die verstoppertje met ons speelde en zich soms vreemd gedroeg. Er is niets gebeurd, maar die herinneringen maakten me wel ongerust. Eén moment alleen met die man en mijn leven had misschien een heel andere wending genomen. Als ik zie welk drama het veroorzaakt heeft bij zoveel kinderen. Ik ben echt tussen de mazen van het net geglipt.”

Stanislas Ide