Metro ging op ontdekkingstocht in Thailand

Als sardines in een blik aanschuiven bij de kleurrijke tempels of comazuipen in Phuket? Thailand is zoveel meer dan de typische toeristenvallen en de feestvierende wildebrassen. Wij toerden het land rond en werden aardig verrast.

Als kind van de jaren 90 ben ik opgegroeid met de liedjes van Kinderen voor Kinderen. “Drink met je billen bloot melk uit een kokosnoot, je wordt vanzelf groot. Op een onbewoond eiland, zijn alle dagen fijn. Op een onbewoond eiland, daar zou ik willen zijn.” Zelfs nu, jaren later, kan ik de tekst nog uit volle borst meezingen en begin ik gegarandeerd te dagdromen over exotische bestemmingen, tropische temperaturen en een hippie-achtig joie de vivre. Een uitnodiging naar de Thaise eilanden lijkt dan ook het uitgelezen moment om die droom eens te laten uitkomen.



Voor het zover is, maken we eerst nog een stop in Bangkok. Handig weetje: vanuit Brussel kan je met Thai Airways rechtstreeks vliegen naar de hoofdstad van Thailand. Helaas zit je na een vlucht van elf uur wel opgescheept met een joekel van een jetlag. Het beste middeltje tegen dat suffe gevoel is een Thaise massage, zo heb ik me laten wijsmaken. Ik leg me dus op tafel bij de spa-afdeling van Novotel, waar Nook me onder handen zal nemen. De kleine masseuse ziet er frêle uit, maar schijn bedriegt. Ze bezit blijkbaar de kracht van een bulldozer. Met haar vuisten, voeten, knieën en ellebogen knijpt ze alle pijnpunten uit mijn lijf. Als ze me op het einde van de sessie nog eens in vier vouwt als een origamikunstwerk, weet ik niet meer waar ik het heb. Kortom, echt ontspannend is het niet, maar achteraf voel je je wel herboren.

Hipster in Bangkok

De perfecte plek om je eerste avond af te sluiten is het restaurant The Never Ending Summer. Met zijn open keuken, talloze groene hangplanten en gigantisch gietijzeren ramen lijkt dit voormalige pakhuis eerder uit het hippe Berlijn te komen dan het broeierige Bangkok. De keuken daarentegen is op en top Thais. Als je jetlag het toelaat, is een drankje op het dakterras van het Bayan Tree-hotel ook een aanrader. Vanop de 61ste verdieping heb je een adembenemend uitzicht op de lichtjes van de stad, waar zelfs mensen met hoogtevrees voor zouden tekenen.

De volgende dag hebben we nog even de tijd om de Thaise parel verder te ontdekken, mét een fiets. “Voor een beetje frisse lucht moet je naar Bang Krachao”, vertelt onze gids Kamol. Hij verwijst daarmee naar het groene eiland dat op een steenworp van Bangkok ligt. Als boerendochter uit de Kempen kan ik met zekerheid zeggen dat een fietstocht tussen weiden met koeien nog beter ruikt dan deze jungle, maar de uitstap is wél ideaal om even te ontsnappen aan de drukte van de stad. Al slalommend tussen de mangrovebossen, palmbomen en verdwaalde varanen word je overspoeld door een heerlijk gevoel van vrijheid. Nog een voordeel van de stalen ros: je voelt een fris briesje, waardoor het hier aangenamer vertoeven is dan in de verzengende hitte van de stad.

Het hoogtepunt van de uitstap is zonder twijfel de floating market. De kans dat je hier een andere toerist zal spotten is klein. Bestel wat lekkers bij enkele kraampjes, trek je schoenen uit en nestel je bij een tafeltje op de grond. Gegarandeerd dat je de duimen en vingers zal aflikken.

Regendouches en roadtrips

Dezelfde avond nog wagen we ons aan een rondleiding door de stad met een typische tuktuk. Met de boot varen we richting vertrekpunt, wanneer plots de hemel openbarst. Elke Thai die we zien haalt in sneltempo een plastic jas boven en voor we het goed en wel beseffen zijn we omringd door groene, gele en roze mannetjes. “Normaal gezien loopt de moesson van juli tot eind oktober, maar tegenwoordig valt er het ganse jaar veel regen”, klaagt Kamol. “Er bestaat geen echt onderscheid meer tussen de seizoenen.”

Dat zullen we geweten hebben, want verzopen katten komen we aan bij de eerste stop. De Eagle Bar is een van de best bewaarde geheimen in deze stad. Je hebt een adembenemend uitzicht op de twee bekendste tempels – Wat Arun en Wat Pho – en toch zit er amper anderhalve man en een paardenkop aan de tafeltjes.

Na enkele drankjes worden we door onze persoonlijke chauffeur en zijn felgekleurde driewieler meegenomen van de ene lokale eettent naar de andere. We proeven gegrilde kip, pikante lab kai en roti, een dessert dat verdacht veel lijkt op een pannenkoek met banaan. Als een kleine indigestie om de hoek komt gluren, is het tijd voor een bezoek aan de lokale bloemenmarkt. Zelfs ’s nachts is het hier een drukke bedoening en kom je ogen tekort door de weelderige explosie van geuren en kleuren.

De roadtrip eindigen doen we in schoonheid, bij Wat Pho. Kamol fluistert ons toe dat toeristen sinds kort ook ’s nachts de oudste tempel van Bangkok kunnen bezoeken. De meeste mensen zijn niet op de hoogte van dit weetje, dus je loopt er quasi in je uppie rond. “De eerste keer dat ik hier bij zonsondergang was, kreeg ik tranen in mijn ogen”, zegt onze gids nog met een krop in de keel.

Eilandhoppen

Na een weekend in de Thaise hoofdstad houden we het voor bekeken en is het tijd om mijn droom waar te maken. Daarvoor gaan we naar Koh Muk, een vrij onbekend eilandje in het zuiden van het land. Waarschijnlijk omdat het een heel gedoe is om er te geraken: na een vlucht naar Trang neem je nog een bus naar een piepkleine haven om met een speedboot eindelijk op je bestemming te arriveren.

Deze paradijselijke plek is perfect om zalig zen te worden. Je kan hier gerust een week vullen met eilandhoppen, massages op het strand, duiklessen en snorkeluitjes. Onder water weet ik niet naar wat eerst te kijken. Ik ben vooral fan van enkele kleine geel-witte vissen. Ze zijn niet groter dan je handpalm, maar zwemmen ondeugend dicht zodat je ze kan aanraken met je snoet.

Wie zich toch verveelt, kan een bezoek brengen aan de Morakot Cave op Koh Muk. De lagune kan je alleen bereiken door door een 80 meter lange grot te zwemmen. Het geheime strand doet me denken aan ‘The Beach’, maar zelfs zonder Leonardo DiCaprio kan ik me hier een tijdje amuseren. “Lang, lang geleden was deze plek een vulkaan. Dat kan je nog zien aan de zwarte, opgedroogde lava”, zegt Kamol terwijl hij naar de rotswanden wijst. “In de 16e eeuw werd het gebruikt als tijdelijke verstopplek voor schatten van piraten. Maar die tijd is ondertussen ook al gepasseerd”, lacht hij.

Ook de laatste dag spookt het lied van Kinderen voor Kinderen opnieuw door mijn hoofd, en dan vooral de zin “Drink met je billen bloot melk uit een kokosnoot.” Kokosnoten leegslurpen is hier een regelmatige bezigheid, een frisse duik in je nakie nemen iets minder. Tijdens een ietwat benevelde avond twijfel ik nog even om afkoeling te zoeken in de zee en te gaan skinny dipping. Soit, het zal voor mij een weet zijn, voor jullie een vraag.

Tekst en foto’s Liesbeth De Corte