MOVIES. Dorothée van den Berghe. “In België hebben we geen cultuur van jeugdfilms”

Een veelfilmer kun je Dorothée van den Berghe niet noemen. Tussen haar eerste langspeelfilm ‘Meisje’ (2002) en opvolger ‘My Queen Karo’ gaapte al een periode van zeven jaar, nu heeft het nog eens negen jaar geduurd voor de derde film er kwam. ‘Rosie & Moussa’ is een jeugdfilm geworden, gebaseerd op de gelijknamige boekenreeks van Michael De Cock over de vriendschap tussen een blank meisje en een jongen met allochtone roots in Molenbeek.

Dorothée van den Berghe: «Zelf maak ik eigenlijk geen onderscheid tussen mijn films. Ik heb tot nu toe altijd verhalen verteld met kinderen in de hoofdrol, over situaties die gezien worden door de ogen van kinderen. Bovendien heb ik in het verleden ook al een aantal kortfilms gemaakt voor kinderen. In die zin was ‘Rosie & Moussa’ een heel natuurlijke stap. De thema’s die mij interesseren, zaten ook in de boeken van Michael De Cock, die ik per toeval ontdekt heb. Alleen hebben we in België niet echt een cultuur van jeugdfilms zoals in de Scandinavische landen of in Nederland. Ik was dan ook blij dat het Vlaams Audiovisueel Fonds nu voor het eerst ook zulke films stimuleert, met een aparte commissie. Het gevolg is dat ik ‘Rosie & Moussa’ sneller heb kunnen maken dan mijn films voor volwassenen.»



Mijn beide eerste films gingen ook over kinderen, zeg je. Waarom waren dat dan geen jeugdfilms en ‘Rosie & Moussa’ wel?
“Heel cru gesteld: geen seks of naakt. Het klinkt een beetje flauw, maar het komt er wel op neer. In mijn andere films zaten scènes die niet voor kinderen geschikt waren. Maar behalve dat heb ik eigenlijk niet zoveel verschil gemerkt. De manier waarop ik de film gemaakt heb, de kwaliteit waarmee ik rond de beelden heb gewerkt, hoe ik met de acteurs heb gewerkt, dat was allemaal hetzelfde. Daarom vind ik het ook belangrijk dat er nu jeugdfilms gemaakt worden die meer hedendaagse onderwerpen durven aan te raken, thema’s waar jongeren vandaag elke dag mee geconfronteerd worden. Dat sprak me aan in Michaels boeken.”

Zijn jeugdfilms over het algemeen ook niet braver en eenvoudiger, ook al gaan ze over hedendaagse thema’s?
“Die tendens bestaat inderdaad. Maar dat wilden we met ‘Rosie & Moussa’ absoluut vermijden. Het is niet omdat het voor kinderen is dat je onderwerpen uit de weg moet gaan. In die zin is het niet anders dan een film voor volwassenen, behalve dat we geprobeerd hebben om het altijd luchtig of verteerbaar genoeg te houden. Op de keper beschouwd zitten er zware thema’s in. Scheiding, een ouder die in de gevangenis zit, het is niet niks. Maar door de blik van die kinderen weegt het allemaal veel minder zwaar. Als volwassenen dramatiseren we die dingen veel meer. Voor Rosie maakt het gewoon deel uit van haar wereld. Daarom verpak ik het ook in kleurrijke beelden. Op zich is de buurt in Molenbeek grijs en triest, maar als je dan praat met de kinderen die er wonen, zien die het als een prachtige omgeving. Door dat letterlijk over te nemen in de film maak ik het niet kinderachtig maar wel speelser en meer toegankelijk.”

Spelen de boeken van Michael De Cock zich ook af in Molenbeek of was dat jouw keuze?
“Nee, de boeken spelen zich ook daar af. Dat komt omdat Judith Vanistendael, die de illustraties bij de boeken heeft gemaakt, daar woont. Ik denk dat ze gewoon de omgeving heeft genomen die ze uit haar raam zag. De specifieke locaties in de buurt van Beekkant die ik in de film gebruik, die heb ik gevonden. Maar dat is maar een paar straten verder.”

Kende je die buurt van Brussel?
“Ik had een jaar geleden een documentaire gemaakt over de metro van Brussel, waarin ik alle haltes heb geportretteerd. Behalve één, die te onveilig werd geacht om te gaan filmen. En dat was Beekkant. (lacht) Ik ben toen toch eens heel snel gaan kijken, en daardoor herinnerde ik me die drie gebouwen en de tunnel die over de metro loopt. Voor deze film was dat zo perfect dat ik er toch naartoe getrokken ben. Imad Borji, die Moussa speelt, die woont ook in die buurt. We hadden hem dus als gids en bewaarengeltje. Hij kent al die jongeren daar, en hij kon ze onder controle houden. Ongelooflijk eigenlijk voor zo’n jonge jongen. Ik heb mijn langspeelfilm dus gedraaid in een buurt waar ik een jaar voordien niet langs durfde.”

Concludeer je daaruit dat we eigenlijk geen schrik hoeven te hebben, of is dat te naïef?
“Als je iets niet ziet of er niet rondloopt, krijg je snel het beeld dat het eng is. Dat is toch zo in mijn geval. Nu heb ik daar zes maanden van mijn leven doorgebracht en ken ik daar iedereen, van het groentemannetje tot de conciërges in de flatgebouwen. De personages die Michael in zijn boeken neerzet, zijn namelijk niet zomaar wat schilderachtige figuren. Ze bestaan. En nu kom ik daar gewoon alsof het mijn buurt is. De angst die ik een jaar geleden had, is nu helemaal weg. We hebben ook geen enkel probleem gehad, wat bevestigt dat ik om te beginnen al niet bang hoefde te zijn.”

Foto R.V.

Ruben Nollet

RECENSIEOVERZICHT
Rosie & Moussa