Voorgeproefd – De Truc

Lees de voorpublicatie van ‘De Truc’

Een hele tijd later, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, leefde in de Nieuwe Wereld, in de Stad der Engelen, een jongen met de naam Max Cohn. Bijna drie weken voor zijn elfde verjaardag gingen zijn ouders met hem naar een Japans restaurant op Ventura Boulevard en vertelden hem dat ze gingen scheiden. Natuurlijk kwamen ze daar niet meteen mee op de proppen. Ze waren het grootste deel van de avond bezig met te doen alsof alles net als anders was. Maar Max vermoedde wel dat er iets niet klopte. Ze waren gewoon veel te aardig voor hem. Hij was van begin af aan achterdochtig geweest. Zijn beste vriend op school, Joey Shapiro, had een paar maanden geleden net zoiets meegemaakt, zodat ze hem in de klas als een soort tragische held beschouwden die evenzeer bewonderd als beklaagd werd. Joey had van de bitterzoete nectar van de tragedie geproefd en was zodoende een stap dichter bij de volwassenheid dan de rest van 4a.

Joey had Max toen een wijze raad gegeven: ‘Ze gaan met je uit eten en vragen waar je zin in hebt.’ Hij boog zich dichter naar Max toe en fluisterde: ‘Ik zei: “Pizza.” Dat was mijn fout.’

‘Hoe dat dan?’ vroeg Max en dacht bij zichzelf: wat kan er fout zijn aan pizza?

‘We gingen naar Mickey’s Pizza Palace.’

Max kende Mickey’s Pizza Palace. Een fastfoodketen voor kin­deren, met niet alleen reusachtige pizza’s, maar ook een speelhoek, videogames en nog veel meer. Daar wilde Max zijn verjaardag vieren.

‘Nou en?’

‘Ik heb een middelgrote pizza met salami en veel mozzarella be­steld.’

‘Ja, ga door!’

‘En toen hebben ze me gezegd dat ze gingen scheiden. En daar zat ik met m’n pizza…’

Toen maakte Joey een raar geluid, net een kuchje, en wendde zijn hoofd af.

‘Zolang ik leef,’ zei hij, ‘kan ik nooit meer pizza eten.’

Max was geschokt. Natuurlijk, ouders gaan scheiden, zulke din­gen gebeuren, maar hij had gedacht dat pizza een van de weinige bestendige dingen in het leven was. Van die dingen, waar je je aan vast kunt houden.

Max was ervan overtuigd dat zijn ouders nooit zoiets zouden doen. Ze hielden van hem, ze hielden van elkaar, ze hielden waar­schijnlijk ook van Hugo, het huiskonijn, een leuk beest met een witte vacht en een roze neus, dat meestal gewoon geinig voor zich uit zat te kijken in zijn hok. En dat was het dan. Tenminste, dat dacht hij. Maar algauw kreeg hij het idee dat er iets was, iets wat hij op het eerste gezicht niet merkte, kleine verwijzingen naar een ver­borgen waarheid. Hij zag mama, terwijl ze sniffend haar ogen depte met een zakdoekje, en haar anders zo zorgvuldig aangebrachte oog­schaduw was een beetje uitgelopen. Het viel hem op dat papa niet meer zo vaak thuis was. Hij bleef langer op kantoor en had het ook in het weekend ‘druk’. Soms sliep hij op de bank in de woonkamer en liet de hele nacht de televisie aan staan, wat Max nooit van zijn leven had gemogen. Deuren die eerder open stonden werden nu geregeld dichtgedaan. Er klopte iets niet, dat voelde hij.

En toen hij op een dag uit school kwam, zijn fiets onverschillig op het grasveld liet liggen en het huis in rende, zag hij zijn ouders stokstijf op de bank zitten, alsof ze op hem hadden gewacht. Ze glimlachten gemaakt naar hem.

‘Wat vind je ervan als we uit eten gaan?’ zei papa en zijn stem klonk een tikje te vrolijk, te hard. Alarmbellen rinkelden in Max’ hoofd. ‘… waar je wilt,’ hoorde hij papa nog zeggen.

‘Wat?’ vroeg Max.

‘Wat wil je eten?’

Max dacht even na, toen zei hij: ‘Sushi dan maar?’

Zijn ouders keken hem perplex aan.

‘Weet je het zeker, schat?’ vroeg mama.

‘Ja,’ zei Max. Het kon hem echt niks schelen als hij nooit meer rauwe vis zou eten.

Dus gingen ze sushi eten. Max bestelde tonijn, zwaardvis en zee-egeleieren, ook al meende papa dat zee-egels niet koosjer waren. Die waren zo smerig dat hij bijna had gekotst en toen zijn ouders plotseling elkaars handen aanraakten en hem vertelden dat ze heel, heel veel van hem hielden en dat er voor hem absoluut niets zou veranderen, werd hij rood en moest hij tegen zijn tranen vechten. Hij begon te trillen. Zijn mond zat vol visblubber of wat het ook was, en hij zei telkens en telkens weer tegen zichzelf: pizza, tenmin­ste heb ik mijn pizza nog.

 

Emanuel Bergmann, De Truc

voorgeproefd_FB_DeTruc