Voorgeproefd: ‘Zeik en het lijk op de dijk’

Lees de voorpublicatie van ‘Zeik en het lijk op de dijk’

Zeik kwam als eerste aan op het bureau van de Brigade. Omdat hij alleen was vroeg hij zich af: waar zijn de anderen? De afwezigheid van Compas was normaal, zij was nog onmachtig na haar ongeval. En de afwezigheid van Übertrut was bijna even normaal, qua komen en gaan gedroeg die zich als een rusteloze windvaan. Maar waar zaten El Bazaz en Broekgat? Aha, daar had je Broekgat. ‘Koffie, Broekgat,’ zei Zeik.

‘Jazeker, inspecteur,’ zei Broekgat. Hij had een groot respect en een diepe bewondering voor z’n meerdere Zeik, en hij wou dat hij ooit als Zeik zou worden, onverschrokken, daadkrachtig, van geen kleintje vervaard, en nu en dan een sigaretje rokend. Broekgat prepareerde een kop koffie voor Zeik, die een slok nam en zei: ‘Als deze koffie denkt dat hij koffie is, dat hij dan maar wat anders denkt. Doch ter zake. Een moord hebben we voorlopig niet, Broekgat, dus een onderzoek ernaar evenmin. Het loopt de spuigaten uit met dat gebrek aan moord. Waar moet het eindigen? Vroeger ja, toen had je nog moordenaars van stavast, tegenwoordig zijn ze met z’n allen lulletjes van rozenwater, zoals de uitdrukking luidt.’



‘Ja, een moord zou ons deugd doen, inspecteur,’ zei Broekgat. ‘Misschien komt ze vandaag wel.’

‘Dat de Heere ervoor zorge,’ zei Zeik.

‘À propos, inspecteur,’ zei Broekgat, ‘mag ik u iets vragen?’

‘Als je me maar niet vraagt om een kalkoen naar de kerk te brengen,’ zei Zeik.

‘Nee, inspecteur, in geval van nood breng ik die zelf wel,’ zei Broekgat. ‘Het is het volgende: kunt u ’ns uitkijken in uw buurt en eventueel andere buurten van Gent naar een niet al te duur geriefelijk huisje of flatje waarin ik me als bewoner kan vestigen?’

‘Ga je verhuizen, Broekgat?’ vroeg Zeik. ‘Jij woont toch bij je ouders?’

‘Ja, inspecteur,’ zei Broekgat.

‘Daar zou ik maar blijven,’ zei Zeik, ‘dan kun je tenminste binnen je vier muren om hulp roepen als de droes verschijnt of je een hartaanval krijgt.’

‘Niettemin wil ik op mezelf gaan wonen,’ zei Broekgat.

‘Allicht omdat je ouders onuitstaanbare eikels zijn,’ veronderstelde Zeik.

‘De nagel op de kop, inspecteur,’ zei Broekgat zonder schaamte.

‘Tegen wie zeg je het,’ zei Zeik. ‘Je zou mijn ouders moeten meemaken. Mijn vader eet vlinders als vieruurtje, dat zegt genoeg, dunkt mij. En m’n zus is ook geen wolkeloze hemel. Ik heb met hen allen weinig contact, mede omdat ik liever een mannenkoor van Andalusische zigeuners met elk een hazenlip ontmoet dan m’n familieleden.’

‘Voor mij geldt hetzelfde, inspecteur,’ zei Broekgat.

‘Je houdt dus van Andalusische koormuziek?’ vroeg Zeik, hoewel z’n belangstelling voor het gesprek met z’n ondergeschikte schrikbarend daalde.

‘Misschien wel,’ zei Broekgat, ‘ik zal het laten weten als ik er ooit naar geluisterd heb.’

‘Een flinke jongen, dat ben jij,’ zei Zeik, ‘en je moet vele boterhammen met smout eten, opdat je groei niet gestremd wordt. En ik zal uitkijken naar zo’n huisje of flatje. Dat beloof ik je op het meer van Genève. Hoeveel huishuur wil je ongeveer betalen?’

‘Als het kan minder dan driehonderd frank,’ zei Broekgat.

‘Dan zal het uiteraard geen huisje worden met een binnentuin, een palmboom in de slaapkamer en een ruimte om er drie dikke wijven in kettingen aan het plafond te hangen,’ zei Zeik. ‘Maar goed, niet alles hoeft even duur te zijn als iets wat veel geld kost. Ik kijk uit, Broekgat, maar nu moet je me even met rust laten, ik moet contempleren over het alles of niets der dingen.’

‘Jazeker, inspecteur,’ zei Broekgat. Hij was blij dat hij een behoorlijke conversatie had gekend met inspecteur Zeik. Dat gebeurde ook niet iedere dag. Broekgat ging aan z’n bureau zitten en haalde uit z’n tas een kasteelromannetje. Sinds hij besloten had om zelf niet meer aan literatuur te doen, met name door de roman Wijlen Freddy de mongool ongeschreven te laten, was z’n belangstelling voor literatuur tout court gezakt tot onder het nulpunt, en had hij zich voorgenomen om alleen nog populaire lectuur te lezen. Het kasteelromannetje dat hij thans onder handen had droeg als titel Ridder Umberto wint het gevecht, en op de eerste pagina begon het al goed, toen ridder Umberto, terwijl hij achter een struik zat te schijten, in z’n taas werd gebeten door een hagedis. Broekgat vond het al meteen erg spannend op die manier.

El Bazaz kwam binnen. ‘Good days to you, boys,’ zei hij, ‘wat schaft de pot? Ik bedoel, is er al een moord?’ Hij ging zitten aan het bureau waaraan ook Zeik zat.

Die zei: ‘Geen moord in velden of wegen te bekennen, Mohamed. Je zou er een strontaars van krijgen.’

‘Of de kroep met witte blaasjes erop,’ zei El Bazaz. Hij verveelde zich nu al. Lezen deed hij niet, kruiswoordraadsels oplossen vond hij iets voor homoseksuelen, en breien had hij vroeger wel eens gedaan, tot hij op een haar na een van z’n ogen had uitgestoken met een breinaald, en toen was hij ermee gestopt.

 

voorgeproefd_FACEBOOK_zeiklijk