Sterker placebo-effect dwarsboomt nieuwe medicijnen in VS

Pijnstillers geraken steeds minder vaak door de klinische proeven in de Verenigde Staten. Dat heeft volgens een studie niets te maken met de kwaliteit van de medicijnen, maar wel met het placebo-effect dat steeds sterker aanwezig is.

Canadese onderzoekers van de McGill University ontdekten dat tijdens klinische studies van pijnstillers de pijn evengoed verdwijnt bij deelnemers die een placebo krijgen. Het onderzoek bekeek 84 klinische studies van medicijnen die chronische neuropathische pijn bestrijden. De klinische studies werden afgenomen tussen 1990 en 2013.

De reactie van patiënten op de medicijnen bleef over de periode van 23 jaar nagenoeg dezelfde. De reactie op het placebo veranderde echter. In 1996 gaven 26% van de patiënten nog aan dat het geteste medicijn beter werkt dan het placebo. Zeventien jaar later daalt dat naar slechts negen procent van de patiënten die een verschil waarnemen. Vreemd genoeg doet deze evolutie zich enkel voor in de Verenigde Staten. In Europa en Azië wordt dit niet waargenomen.

Een mogelijke verklaring die de studie aanhaalt, is dat het adverteren van de medicijnen een invloed heeft op de verwachtingen van de patiënten, wat in de hand van het placebo-effect werkt. Gerichte reclame voor medicijnen is immers enkel toegestaan in de VS en Nieuw-Zeeland. Een andere mogelijke verklaring is dat de grootte en lengte van de klinische proeven, met glamoureuze voorstellingen, de verwachtingen ook verhogen in de Verenigde Staten.

Voor Fabrizio Benedetti, een onderzoeker naar het placebo-effect aan de Universiteit van Turijn, is de oplossing duidelijk. “Het controleren van het placebo-effect gaat het succes van klinische proeven niet verhogen. Wat farmaciebedrijven moeten doen, is de effectiviteit van hun medicijnen verbeteren”, aldus de Italiaan aan Nature.

Ted Kaptchuck, hoofd placebo-onderzoek aan de Universiteit van Harvard, ziet het echter anders. “Als het placebo-effect een groot deel uitmaakt van pijnstillende medicijnen, moeten we ons toespitsen op non-farmacologische interventies als eerstelijnsinterventie”, besluit Kaptchuck.