Wim Opbrouck als marktkramer in ‘Café Derby’

Vrijdagnamiddag, de nazomerzon streelt de zeedijk. Binnen enkele uren opent ‘Café Derby’ het filmfestival van Oostende. Op uitdrukkelijke vraag van regisseuse Lenny Van Wesemael heeft acteur Wim Opbrouck zijn mooiste pak aangetrokken. «Normaal kleed ik me nooit zo op voor een filmpremière», zegt hij, «maar Lenny wil dat alles er vanavond perfect uitziet. Ze is de dochter van een marktkramer, ze weet hoe ze haar film moet verkopen.» Die marktkramer – vader Van Wesemael, de man die in 1985 rijk hoopte te worden dankzij de komst van de paus – vormde de inspiratiebron voor ‘Café Derby’. Opbrouck mocht hem vertolken.

Op de markt staan is een vak apart. Heb je de stiel moeten leren?
Wim Opbrouck
: «Marktkramers en demonstrateurs zijn een soort kunstenaars, ze moeten ongelooflijk goed kunnen acteren. Ik ben in de leer gegaan bij Giskard, de broer van Lenny. Hij heeft zijn vader opgevolgd en staat nu zelf op de markt met een ananassnijder. Ik heb hem uitgebreid mogen observeren terwijl hij aan het werk was: geweldig hoe hij dat doet. Het is echt een vorm van stand-up comedy. Er moet humor inzitten om klanten naar je kraampje te lokken, maar ook niet te veel, want dan denken ze dat je een charlatan bent. De mensen moeten je geloven.»

Marktkramers zijn goede acteurs, zeg je. Betekent dat ook dat jij als acteur automatisch een goede marktkramer bent?
«Nee. (lacht) Het zou niets voor mij zijn. Ik zou het heel stresserend vinden: als de mensen op het eind hun portefeuille niet open trekken, heb je niets verdiend en komt er geen brood op de plank! Het is een heel onvoorspelbaar leven.»

Het leven van een acteur is toch ook niet bepaald voorspelbaar?
«Nee, absoluut niet! Er zijn heel wat parallellen: je werkt op de onmogelijkste uren, je moet in zekere zin ook iets verkopen, je moet eerlijk liegen. Maar ook niet te veel. Want dat heb ik geleerd: je kan geen brol verkopen. Dan voelen de mensen zich bedot en komen ze nooit meer terug.»

Ben je ooit undercover op de markt gaan verkopen?
«Dat heb ik geprobeerd, maar het lukte niet. (lichtjes gegeneerd) Ik werd meteen herkend.»

Is je bekendheid op zulke momenten geen blok aan je been? Moet een acteur zich soms niet anoniem kunnen onderdompelen in een bepaald milieu, om een personage tot zich te laten doordringen?
«Dat valt goed mee hoor. Als ik buiten Vlaanderen ga, vind ik die anonimiteit al heel snel terug. Bovendien heeft bekend zijn ook voordelen: voor de tv-reeks ‘In Vlaamse Velden’ moest ik me verdiepen in 19e- en 20e-eeuwse gynaecologie. Als je dan iemand opbelt en zegt: ‘Het is hier met Wim Opbrouck’, dan gaan er toch bepaalde deuren open.» (lacht)

Je personage Georges is nooit bang om een sprong in het duister te maken. Zit jij ook zo in mekaar? Gewoon gaan, zonder omkijken?
«Dat heb ik in mijn leven vaak gedaan, maar ik ben toch meer een controlefreak, heb ik intussen beseft. Als ik bijvoorbeeld ooit een cafeetje zou beginnen, dan zou ik toch eerst bij de gemeente langsgaan om te vragen of er de eerste vijf à tien jaar geen wegenwerken gepland waren in die straat. Ik ga meestal uit van het worstcasescenario. Ik zou in Georges’ plaats denken: ‘De paus zal wel niet komen. Er gaat iets tussenkomen, of zijn helikopter gaat niet opstijgen’. Toen ik een jaar of 25 geleden een huis kocht, dacht ik ook: ‘Dit ga ik nooit kunnen afbetalen’.»

Had u dan ook een slecht voorgevoel toen u aan deze film begon? U speelde de vader van de regisseuse – die bovendien aan haar eerste langspeelfilm toe was. Dat is toch allesbehalve evident?
«Ik had alleszins nog nooit aan een project meegewerkt waar de regisseur de personages zo goed kende. (lacht) De film gaat over Lenny’s eigen vader, moeder, broers en zussen. Dat was intimiderend, ja. Het is zoals in een relatie: je kan nooit de vader van je vrouw worden. De vader heeft een goddelijke status, die kan je nooit evenaren. In het begin was ik dus wel wat ongerust: ik dacht dat dit verhaal voor Lenny nog een open wonde was, en dat ik daar de hele tijd in zou staan roeren. Maar dat bleek gelukkig helemaal niet het geval. Ik was me weer voor niks zorgen aan het maken.» (lacht)

De film toont een vader die in de ogen van zijn dochter van zijn voetstuk valt. Kon u zich daar iets bij voorstellen?
«Mijn vader leeft nog, dus ik moet oppassen wat ik zeg. (lacht) Nee, we hebben een zeer goede relatie, ik heb een fantastische jeugd gehad. Uiteraard zijn er botsingen en conflicten geweest, en op die momenten zie je je vader soms wankelen. Maar dat is menselijk. Ik ben zelf ook vader – ik heb een dochter van 21 en een zoon van 18 –, en ik wankel ook wel eens. Dat is geen schande. Geen enkele vader is een held.»

Lieven Trio