Niemand hield van Billie Vuist (fragment 4)

C.PR_MP_BILLIEVUIST_JAN11_AB.indd
Lees hieronder het vierde fragment uit de roman Niemand hield van Billie Vuist van Marnix Peeters. De andere fragmenten vind je hier

Zo is het genoeg,’ zei Naphtuli Steinkopf na twee minuten hoelahoepen tegen Mame Diarra, nadat er twee haastige oude vrouwen met oude, verkleurde plastic boodschappentassen in de hand en met regenkapjes op hun hoofd waren voorbijgekomen, die hij luidop had begroet en die hem en het negerkind nadrukkelijk hadden aangekeken, waarbij we met ‘nadrukkelijk’ veeleer ‘achterdochtig’ of ‘afkeurend’ bedoelen, of misschien zelfs ‘als waren zij een bord vol vette vleesmaden’; het tafereel had in elk geval indruk op hen gemaakt en zij zouden het niet licht vergeten. Voorts was Naphtuli Steinkopf er zeker van dat hij achter twee ramen de gordijnen had zien bewegen, en kon hij zelfs zonder bril zien dat er in het cafe aan het eind van de straat twee figuren hem hadden gadegeslagen, waardoor hij ook deze wens van de vzw Phantasia als meer dan vervuld beschouwde, en er kon worden overgegaan tot de orde van de dag, namelijk het plukken van de vrucht.

‘Ze spelen toch wel erg veel,’ zei Billie Vuist tegen Mei Marlborough, die met een norse, wantrouwige uitdrukking zat toe te kijken hoe de jood en de tiener in het sombere huis verdwenen. ‘Ik ga kijken,’ zei Mei. ‘Ik ga mee,’ zei Billie. ‘Gij blijft hier,’ zei Mei, ‘bij Bingo,’ waarop Billie Vuist knikte; had hij niet geknikt, dan had Mei Marlborough moeten zeggen: ‘Ge zijt te dik, Billie,’ of iets van dien aard (wat ze liever niet zei), want voor de uitvoering van haar plan was rankheid en souplesse vereist – het zou al een heel gedoe zijn om Billie Vuist over de muur van de achtertuin te helpen, en als ze daarna betrapt zouden worden, zou hij een snelle aftocht helemaal onmogelijk maken.

Zo bleef Billie Vuist achter in Het Grote Gemak, met zijn Sev – en-Up en met een slapende Bingo onder de tafel (die nu en dan, bevangen door een droom, met zijn staart op de parketvloer klopte), terwijl Mei Marlborough via het grindpad aan de tuinkant van de huizenrij de achterkant van de woning van het gezin Steinkopf- Giesecke von Bergh bereikte, over de muur wipte en zich verborg tussen de bladeren van een grote rododendron vlak bij het raam, een schuilplaats van waaruit zij een goed zicht had op de woonkamer, waar Rachel Giesecke von Bergh zich klaarmaakte om het pand te verlaten (zij was liever geen getuige, of toch zo min mogelijk, van de liefhebberijen van haar echtgenoot). Naphtuli Steinkopf zat op de divan met Mame Diarra naast hem; de natgeregende jood, die nog moest bekomen van het hoelahoepen, keek ongeduldig en geergerd toe hoe zijn vrouw zorgvuldig haar sjaal schikte, haar jas borstelde, in de spiegel haar haren controleerde en de tijd nam om in de kast een paar schoenen uit te kiezen.

Mame Diarra keek met een holle blik voor zich uit; voor haar geestesoog speelden zich dingen af die zij liever niet zou zien, al was het zien, zeker in ideele vorm, natuurlijk minder erg dan het beleven ervan, en alles wees erop dat de barre praktijk het spoedig zou overnemen van de trieste theorie en de ijzingwekkende fantasie – niet dat dit kind in deze versierde termen over de zaken zat na te denken, dat zij in gedachten met ideele vormen en barre praktijken goochelde, maar zo werken de Letteren – en dat is juist de schoonheid ervan: de verteller kan probleemloos het kinderlijke broebeltaaltje van een negertiener optillen en verfraai- en, er lussen en tierlantijnen aan toevoegen, zodat het leesbaar en verstaanbaar wordt voor een mens van grotere eruditie en hogere opleiding – zo mogen wij ons lezerspubliek vast en zeker typeren. ‘Wat doet uw vader zoal?’ vroeg Naphtuli Steinkopf met zijn oude ravenstem aan het meisje, enerzijds om de tijd te vullen die zijn echtgenote nog nodig zou hebben om de plaat te poetsen (dit deed zij zo traag mogelijk om hem te pesten; zij wist dat hij op springen stond), anderzijds om zijn nakende geliefde ietwat te ontdooien, want hij had wel in de gaten dat zij stijf stond van de angst, wat een gezellig samenzijn niet ten goede komt. Mame Diarra antwoordde niet.

Zij bleef angstig en vol droefheid staren naar het zinnebeeld dat zich nu eens in een lege hoek van de woonkamer bevond, dan weer in de tuin, op een plek enkele meters naast die waar Mei Marlborough op haar hurken haar verkenningsopdracht zat te vervullen. ‘Mijn vader was een held,’ zei Naphtuli Steinkopf, op zelfgenoegzame toon en met een fiere glimlach op de lippen, terwijl hij een van zijn pijpenkrullen rond zijn vinger wond… Hij ging verzitten, wat hem de gelegenheid gaf om met zijn andere hand ongezien, of toch zo goed als, zijn halfharde penis, die gekneld begon te zitten in zijn onderbroek, te verleggen. ‘Hij is de nazizwijnen te slim af geweest,’ ging Naphtuli Steinkopf verder. ‘Hij heeft hun spelletje meegespeeld, om hen in de luren te leggen, maar hij is uiteindelijk als overwinnaar uit de bus gekomen! De nazizwijnen zijn naar Nurnberg gestuurd, en vervolgens naar de galg, of toch minstens naar een vochtige cel in een koude kelder, en mijn papa kon fluitend naar huis – al zal hij niet hard gefloten hebben, want er viel in die dagen niet veel te fluiten, geloof mij.

De halve wereld was verwoest! De Duitse honden hadden alles kapotgemaakt, verstaat ge dat? En hadden de geallieerden niet het lef en de moed gehad om Operatie Thunderclap te lanceren, waarbij tienduizenden van deze menselijke insecten levend zijn geroosterd in hun schuilplaatsen, ze zouden vandaag nog altijd de boel aan het kapotneuken zijn! De smerige varkens! De kankerratten!’ Langzaam maar zeker borrelde de woede weer op in Naphtuli Steinkopf, er verschenen zweetdruppels op zijn voorhoofd, waarvan de kleur snel van lijkbleek naar vuurrood evolueerde, en waardoor hij zijn doel (het kalmeren, ontspannen en inschikkelijk stemmen van zijn mooie zwarte popje) schromelijk voorbijschoot en hij het kind alleen maar angstiger en wanhopiger maakte. In een poging om zichzelf tot bedaren te brengen, hield Naph – tuli Steinkopf enige tijd zijn adem in, wat hem een nog roder aangezicht bezorgde – het liep tegen paars aan…

Hoofdschuddend en met een spottende glimlach stond Rachel Giesecke von Bergh hem aan te kijken, langzaam en bedachtzaam haar lederen handschoenen aantrekkend, haar jas een laatste keer fatsoenerend en op haar horloge kijkend. ‘Ik ben weg,’ zei ze. ‘Hou op tegen dat kind over uw vader en de Duitse honden, Steinkopf. Ge brengt haar in verwarring,’ en toen richtte zij zich, in het buitengaan, tot Mame Diarra, en zei: ‘Ge moest eens weten wat mijn moeder allemaal gedaan heeft, meiske. Wat zeg ik? Wat ze nog allemaal doet – ze is allang dood, maar ze beschermt ons nog steeds, ze bewaakt ons zielenheil met hand en tand! Hand en tand, hoort ge? Toch zeker mijn zielenheil!’ En met een hoge, spookachtige lach verdween dit onmens uit het gezichtsveld van Mei Marlborough in haar rododendron, die niets van het gezegde had kunnen verstaan, maar die nu getrakteerd werd op een visueel spektakel waar zij stil van werd, en dat wij hier niet tot in de meest nodeloze details zullen beschrijven – de intelligente lezer kan zich het lijkwitte, knokige, bijna uitgeteerde lichaam van de lelijke jood wel voorstellen, die, met zijn zwarte ogen gloeiend van de lust, met enkel zijn lange zwarte kousen nog aan, boven op het negermeisje zat, dat alle verzet had laten varen…‘Hunde aus der Holle!’ kreunde Naphtuli Steinkopf, aan wiens slechtheid wij nooit, maar dan ook werkelijk nooit, mogen wennen – ook al steken vele personages in dit boek hem naar de kroon en bevechten tallozen elkaar om zijn Duivelse Heerschappij. Vergeet dat niet.