Niemand hield van Billie Vuist (fragment 2)

C.PR_MP_BILLIEVUIST_JAN11_AB.indd

 

Lees hieronder het tweede fragment uit de roman Niemand hield van Billie Vuist van Marnix Peeters. Het eerste fragment vind je hier. Morgen vind je er ook de derde exclusieve voorpublicatie!

Misschien is het nuttig om eerst pastoor Pelkmans voor te stellen, aangezien hij straks een zeer belangrijke rol speelt in het verhaal van Billie Vuist – en het leest toch des te aangenamer als men zich bij deze papieren figuren werkelijke wezens kan inbeelden, weliswaar met hun gebreken en hun kleine kantjes, waarvan pastoor Pelkmans, geboren Ambrosius Pelkmans maar in intieme kring afwisselend ‘Broeder Bangkok’ en ‘Pater Pattaya’ genoemd, er meer dan genoeg had, om niet te zeggen: pastoor Pelkmans bevond zich, op de ladder van de Slechte Manieren, niet ver van de hoogste sport, dicht in de buurt van het Levende Kwaad, en hoewel hij als priester eeuwige trouw had gezworen aan de Schepper, had hij in de loop der jaren een innige kameraadschap ontwikkeld met Satan, als wij al niet van ‘vriendschap’ of zelfs ‘liefde’ kunnen spreken tussen deze twee – mocht Satan geen Zinnebeeld van de Zonde zijn, maar een werkelijk levend en bewegend figuur met dikke rode horens, een pekzwarte sik en een geschubde staart, dan zouden hij en Ambrosius Pelkmans zich zeker samen aan de vleselijkheden hebben overgegeven, zouden zij elkaar op de meest afwijkende en pijnlijke manieren aan de warme degen hebben geregen. Zo heet werden deze twee van elkaar. Kijk, hierin schuilt toch de fun van de literatuur… Men kan zeggen: ‘Pastoor Pelkmans was in- en inslecht,’ of: ‘Pastoor Pelkmans deugde voor geen halve cent, met zijn schunnige levensstijl,’ maar dan heeft men er als lezer voort het raden naar.

Dan blijft pastoor Pelkmans een papieren pastoortje, hoe in- en inslecht ook. Maar als men de kracht van het Woord op zo’n mens toepast, en hem in een innige seksuele verstrengeling met de Duivel beschrijft, zodat ge de solfer bijna kunt rieken en de rotte eierdampen die van dit duo afslaan, en ge de rook uit de neusgaten van de Satan kunt zien lekken net voordat hij tot de laatste stoten overgaat, en zich nog eens goed schrap zet op zijn bokkenpoten, en ge hoort hem met zijn staart een harde klap op de tegelvloer geven, of misschien liever op de warme, natte, rokende rotsbodem, want allicht deden deze twee het gewoon in de Hel zelf – dan ziet men pastoor Pelkmans, en zijn bleke spillebenen, zijn vijftigersbuik met de diepe navel, de ongelijke, sprieterige haargroei op zijn borst en zijn schouders, zijn grijze paterskroontje, zijn lange oorlellen, zijn ziekenfondsbrilletje, zijn bruine tanden, zijn neusharen – zoals hij daar staat, voorovergebogen, de handpalmen tegen de rotswand, het hoofd in de nek, de mond open, hijgend, wachtend op het genadeschot, en Satan die nog eens op zijn rode sabel spuugt, hem inwrijft met het speeksel en dan grijnzend aan het werk gaat.

Dit laatste beeld is ver van de werkelijkheid, want zelden was het pastoor Pelkmans die voorovergebogen de salvo’s incasseerde; meestal waren het de arme hoertjes in hun Thaise bordelen die langs achteren bestegen werden, en die jammerden en snikten, want pastoor Pelkmans was buitengewoon fors geschapen… Hij kon bovendien een aardig stukje neuken – hij nam geen genoegen met een keer, of twee, en hij had geen oren naar de argumenten van de jonge meisjes dat hun lichaampjes te frele waren voor een grote man als hij. Pastoor Pelkmans antwoordde hierop dat er weldra nog veel andere grote mannen zouden passeren, zeker als ze bij de vzw Phantasia terecht zouden komen, waar hij op vrijwil- lige basis de keuringen en de rekruteringen voor verrichtte; hij snauwde hun toe dat zij moesten zwijgen en stoppen met huilen, gaf hun met de vlakke hand een flinke klap op de blote meisjeskont, en begon aan zijn opdracht, grommend dat hij zich geen tweedekeusmerchandise zou laten aansmeren, of iets wat na twee keer al kapot is en klaar om weggesmeten te worden.

Zie, nu weten we toch al een heleboel meer over Ambrosius Pelkmans, meer dan dat hij niet deugt, nog voor geen halve cent. Dat is het wonder van het geschreven woord, lezer. Daarvoor doen wij het, dat schrijven, en daarom lezen wij graag. Om de veelkleurige details achter de oppervlakkige waarheid te kennen. Wie niet leest, kent dat allemaal niet. De niet-lezer kijkt naar de televisie, en denkt: Wat ik zie, is wat het is. Dwalers! Ziet men op de tv ooit een Vlaamse pastoor, haast routineus, een Thais prinsesje volblaffen? Ik dacht het niet. De literatuur! Godlievehemel! De literatuur!

Benieuwd naar het vervolg?

Klik op onderstaande afbeelding en maak kans op een exemplaar van Niemand hield van Billie Vuist!

voorgeproefd_IMU_ NiemandhieldvanBillievuist