Ontwerptekst pandemiewet doet alarmbellen afgaan bij juridische experten

Foto Belga / N. Maeterlinck

Rechtsgeleerden plaatsen vraagtekens bij het ontwerp van pandemiewet, in het bijzonder bij de juridische toetsing van de maatregelen. Dat bleek tijdens een hoorzitting in de Kamer. “We moeten waakzaam zijn”, stelde Marc Verdussen, docent aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de UCL. “Wat als er een populistische regering aan de macht komt. Hoe kunnen we vermijden dat die deze wet zou misbruiken?”, waarschuwde hij.

De langverwachte pandemiewet moet een wettelijk kader invoeren waarmee de regering maatregelen kan nemen in zo’n medische noodsituatie. In een eerste fase voorziet het ontwerp dat de regering via een kb zo’n epidemische noodsituatie uitroept voor maximaal drie maanden (eventueel verlengbaar). Binnen de twee tot vijf dagen moet dat kb worden bekrachtigd via een wet in het parlement.

Nadien kan de minister van Binnenlandse Zaken maatregelen nemen door middel van ministeriële besluiten die binnen de regering zijn overlegd. Die gelden ook voor drie maanden, eventueel verlengbaar. Die maatregelen moeten niet via een wet worden bekrachtigd.

Controlebevoegdheid

“Eindelijk een wet”, stak Verdussen van wal. Hij was een van de 25 grondwetspecialisten die in november aan de alarmbel trokken omdat alle maatregelen van het voorbije jaar via mb’s werden genomen en het parlement daarin geen zeg had.

Verdussen wees samen met collega-docent Marc d’Hooghe (KU Leuven) en Joelle Sautois (ULB) op een aantal problemen in de tekst. Het ging bijvoorbeeld om de controlebevoegdheid van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State en de termijn waarbinnen het parlement de noodsituatie moet bevestigen, maar ook om de nood aan voldoende preciseringen in de bepaling van de maatregelen en de verdeling van de bevoegdheden tussen het federale niveau en de deelstaten.

Tijdens deze pandemie werden de maatregelen afgestemd binnen het Overlegcomité, waarin alle regeringen aanwezig waren. Maar indien die afstemming in de toekomst niet gebeurt, dan kan dat tot conflicten leiden, waarschuwde d’Hooghe. Hij stelde voor dat mee te nemen in de denkoefening over een volgende staatshervorming. Sautois stelde voor de verklaring van de noodsituatie door elk parlement te laten goedkeuren, wat het mogelijk zou maken tijdelijk en uitzonderlijk buiten de bevoegdheden te treden.

Tweederde meerderheid

Verdussen opperde dat het parlement met een tweederdemogelijkheid de noodsituatie zou moeten bekrachtigen. “Als de situatie echt kritiek is, kan dat geen probleem zijn.” Hij merkte ook op dat het parlement zich “na deliberatie” moet kunnen uitspreken. “Twee dagen is in die zin grotesk”, luidde het.

D’Hooghe gaf toe dat bepaalde maatregelen inderdaad dringend kunnen zijn en dat een voorafgaand advies vragen bij de Raad van State niet mogelijk is. Maar volgens hem moet dat a posteriori wel kunnen binnen een termijn van vijf dagen. Hij stelt ook voor de onderlinge adviezen waarop beslissingen gesteund zijn, in de mate van het mogelijke maximaal openbaar te maken, en dan niet enkel de wetenschappelijke adviezen. Een ander idee is een externe begeleidingscommissie in het leven te roepen om over de proportionaliteit te waken.

Tot slot brak d’Hooghe een lans om andere vormen van sancties te voorzien dan celstraffen en boetes. Hij haalde het voorbeeld aan van de gas-boetes. “Dat kan eenvoudiger werken en vormt een minder grote criminalisering als het bijvoorbeeld gaat over jongeren die met vijf samenkomen wanneer dat maar met vier mag.”