Waarop moet je letten om veilig te fietsen?

Belga / D. Waem

Eind oktober gaat het winteruur in, en wordt het plots vroeger donker. Sowieso is het in de wintermaanden minder lang licht. Hoe zorg je ervoor dat je als fietser goed gezien wordt?

Verplichte fietsverlichting

Veilig fietsen in het donker begint met een goede verlichting. Volgens de wegcode moet je trouwens verlichting gebruiken ‘tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag’, dus zodra het donker wordt. Ook wanneer het zicht door mist, regen of sneeuw beperkt is tot 200 meter of minder, moet je verlichting aan. De verplichte fietsverlichting bestaat uit een wit of geel licht vooraan en een rood licht achteraan. Het licht achteraan moet vanop 100 meter zichtbaar zijn.

In plaats van vaste fietsverlichting mag je ook losse verlichting gebruiken die je op je kledij of een rugzak bevestigt. Kies dan wel een goed zichtbare plaats, anders ben je niet zichtbaar voor andere weggebruikers. Het is een goed idee om altijd een los lichtje mee te nemen als reserve.

Je fietsverlichting, zowel voor als achter, mag permanent branden of knipperen. Maar knipperende fietslampen maken het voor andere weggebruikers moeilijker om in te schatten hoe snel en in welke richting je fietst. Daarom is een continu brandend licht beter.

Beter zichtbaar met een hesje

Het dragen van een fluohesje of fluojasje met reflecterende stroken is niet verplicht. Maar: zo’n opvallend kledingstuk maakt je beter zichtbaar in het verkeer. Andere weggebruikers merken je op elk moment van de dag vanop grotere afstand op. Overdag vallen fluokleuren meer op dan andere kleuren. In het schemerdonker vallen fluohesjes extra goed op. In het donker maken de reflecterende stroken je al vanop 150 m zichtbaar als er licht op weerkaatst.

Kijk je fiets na

Naast een licht voor- en achteraan zijn er nog een paar zaken die je fiets zeker moet hebben. Zo zijn een witte reflector vooraan, een rode reflector achteraan, twee reflecterende stroken op elke band (of twee zijdelingse reflectoren per wiel) en twee gele of oranje reflectoren per pedaal verplicht. Je fiets moet ook op voor- én achterwiel een goed werkende rem hebben. Versleten remblokjes zijn dus een no-no: stop bij je fietsenmaker om deze te laten vervangen. Je fiets moet ook een bel hebben die tot op 20 meter hoorbaar moet zijn.

Bovenstaande regels gelden voor een normale fiets. Voor een racefiets, mountainbike, kinderfiets, vouwfiets, minifiets en bakfiets zijn er andere regels.

Zo zorgt de CEO van AXA Belgium ervoor dat hij gezien wordt

Foto S. Vandecasteele

Jef Van In is sinds 2016 CEO van verzekeraar AXA Belgium. Al meer dan twintig jaar fietst hij op maandag van zijn woonplaats naar Brussel en terug. «Met de fiets naar het werk is een win-win», zegt Jef. «Ik heb op een morgen al 40 km afgelegd en kom energiek en super relaxed op mijn bureau aan. Dat is een verschil met mensen die twee uur in de file hebben gestaan. Het milieu vaart er wel bij en uw gezondheid ook.»

Zien en gezien worden is zijn stelregel. «Ik ben standaard uitgerust met een fluogele helm, fluohesje, fluo handschoenen, fluo balaclava en reflecterende schoenen. Zelfs mijn fiets heb ik fluogeel laten spuiten. Ik heb ook een joekel van een fietslicht dat ik heel het jaar door gebruik, zodat auto’s mij van ver zien aankomen.»

De wekelijkse rit loopt grotendeels over goede fietsinfrastructuur, via de fietsostrade van Antwerpen over Mechelen naar Vilvoorde. In het Brussels Gewest heeft Jef Van In de voorbije jaren een enorme inhaalbeweging gezien, maar dient men toch nog een tandje bij te steken om veilige fietsinfrastructuur te creëren.

Volgens Jef Van In kan je als fietser zelf de fietsveiligheid een handje helpen door ervoor te zorgen dat die technisch volledig in orde is, met onder meer een goed werkende bel en remmen. «Als zwakke weggebruiker heb je ook plichten: leef steeds de wegcode na en denk ook aan de andere weggebruikers», besluit hij.

Foto YAY Micro

 

Waar moet je fietsen?
Als er een fietspad is, ben je als fietser verplicht om dat gebruiken. Je herkent een fietspad aan het blauwe verkeersbord, of aan twee evenwijdige onderbroken strepen op het wegdek. Een fietspad kan één of twee rijrichtingen hebben. Als het maar één rijrichting heeft, mag je het niet tegen de rijrichting gebruiken.
Als er geen fietspad is, rij je rechts (in jouw rijrichting) op de rijbaan, zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan. ‘Zo dicht mogelijk tegen de rechterrand’ betekent niet dat je jezelf in gevaar hoeft te brengen. Rij niet in de goot, want dan riskeer je te vallen over riooldeksels. Hou ook afstand van geparkeerde auto’s. Zo kan je openslaande portieren ontwijken.
Op sommige straten zijn fietssuggestiestroken aangebracht. Deze gekleurde stroken maken autobestuurders attent op de aanwezigheid van fietsers. Maar het zijn geen fietspaden: ook auto’s mogen er over rijden.
Steeds meer steden en gemeenten zorgen voor fietsstraten. Je herkent deze aan het verkeersbord. In een fietsstraat moet je als fietser niet zo dicht mogelijk tegen de rechterrand rijden. Is het een tweerichtingsstraat, dan mag je de helft van de breedte gebruiken. In een eenrichtingsstraat mag je zelfs de volledige breedte gebruiken. Auto’s mogen in een fietsstraat fietsers niet inhalen. De snelheid is er sowieso beperkt tot 30 km/u. Een netwerk van aaneengesloten fietsstraten is een fietszone.

 

Wil je weten hoe het gesteld is met jouw kennis van de snelheidsbeperking en andere regels uit het verkeersreglement? Doe dan mee aan De Grote Verkeersquiz en maak kans op een prijs uit de fantastische prijzenpot.

degroteverkeersquiz.be