Vandaag is de Internationale Dag tegen Holebi-, Trans- en Interseksefobie: “Maar de regenboogvlag kunnen we op àlle dagen van het jaar uithangen”

Vandaag is de Internationale Dag tegen Holebi-, Trans- en Interseksefobie:
Foto Unsplash

Vandaag, 17 mei, is het IDAHOT: de Internationale Dag tegen Holebi-, Trans- en Interseksefobie. In Vlaanderen hangen alle 300 gemeenten de regenboogvlag buiten en de provinciale regenbooghuizen belichten het belang van deze dag met verschillende acties. “Maar ook andere dagen van het jaar kunnen mensen de regenboogvlag – figuurlijk – uithangen.”

IDAHOT viert dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op 17 mei 1990 homoseksualiteit schrapte uit de lijst van geestesziekten. Hoe is het ondertussen in België gesteld met de aanvaarding van LGBTI+-mensen en hun rechten? Metro sprak met Stijn Depoorter, woordvoerder van çavaria (de Vlaamse belangenverdediger van LGBTI+-mensen en koepel van LGBTI+-organisaties, red.) en hoofdredacteur van ZIZO (het Vlaamse online magazine over gender- en seksuele diversiteit, red.).

Dag Stijn. IDAHO werd in 2009 IDAHOT door de toevoeging van ‘transphobia’. In het Engels lees je nu vaak ‘International Day Against Homophobia, Biphobia, Interphobia and Transphobia’ (IDAHOBIT). Een belangrijke uitbreiding?

Stijn Depoorter: “Zeker. In België hebben wij de benaming ‘holebi’ om ook biseksualiteit mee te rekenen, op internationaal vlak gebruik je LGBTI+ (Lesbian, Gay, Bisexual, Trans, Intersex. Het plusteken verwijst naar alle personen en groepen die buiten de (cis)gender- en heteronorm, maar niet onder de genoemde letters vallen, red.).

“De toevoeging van die letters heeft te maken met zichtbaarheid. Vaak voelen bijvoorbeeld mensen uit de bi-gemeenschap zich onzichtbaar. Als ze een relatie met een iemand van hetzelfde geslacht hebben, denken mensen aan een homo- of lesbisch stel. Beginnen ze een relatie met iemand van het andere geslacht, dan zitten ze zogezegd in een heteronormatieve relatie. Dat is niet per se een vooroordeel, maar vooral een veronderstelling. Bij veel mensen komt de optie biseksualiteit nog niet spontaan naar boven. Daarom is die zichtbaarheid zo belangrijk.”

Gemeenten wapperen vandaag met de regenboogvlag om te tonen dat ze iedereen aanvaarden, ongeacht seksuele of genderidentiteit. Dit jaar is het tweede jaar op een rij dat alle Vlaamse gemeenten deelnemen. Dat lijkt een positieve evolutie?

“Inderdaad, we vinden dat een mooi en zichtbaar signaal naar onze beweging toe. Ondertussen zijn er ook heel wat bedrijven en stations die iets doen om hun steun uit te drukken.”

 “Natuurlijk hopen wij bij çavaria dat zij niet enkel op 17 mei een bondgenoot zijn, maar ook alle andere dagen van het jaar aan een inclusieve samenleving werken. Dat kunnen ze bijvoorbeeld doen door Lumi (de opvang- en infolijn voor alle vragen over gender en seksuele voorkeur, red.) te vermelden op hun website of in het gemeenteblad. Verder kunnen ze ook een antidiscriminatieovereenkomst opnemen in hun subsidiereglement, maar ook KLIQ (het vorming- en trainingscentrum van çavaria dat werkt rond gender- en seksuele diversiteit, red.) uitnodigen om vormingen te geven aan het gemeentepersoneel, de politie of mensen in het onderwijs. Kortom: er zijn heel veel manieren om elke dag van het jaar – figuurlijk dan – die vlag uit te hangen.”

Gebeurt dat al voldoende?

“Het is moeilijk om dat voor elke gemeente op te volgen. De voorbije jaren hebben een aantal steden en gemeenten bijvoorbeeld wel een genderinclusief sanitair geopend, een antidiscriminatieclausule in hun gemeentelijk subsidiereglement opgenomen, vormingen aan hun personeel gegeven over gender- en seksuele diversiteit of een zebrapad in de regenboogkleuren aangelegd. In onze ‘Leave No One Behind’-brochure sommen we verschillende acties op die een stad of gemeente kan doen om het welzijn van LGBTI+-personen te verbeteren.”

Toch blijkt uit een Europese studie dat  twee op drie Belgische LGBTI+-personen zelden of nooit hand in hand over straat durft lopen met hun partner.

“Kijk, die vlag is een mooi signaal en verder staat België op de tweede plek in de Rainbow Index (de jaarlijkse evaluatie van wetgeving en beleid rond holebi-, transgender en intersekserechten, red.). We hebben juridisch heel wat stappen genomen om de LGBTI+-rechten te verbeteren, maar we zien dat de score van België momenteel stagneert.”

“Dat wetgevend kader is er, maar wetten alleen zijn niet voldoende om het welzijn van de gemeenschap te verbeteren. Dagelijks krijgen LGBTI+-mensen nog te maken met vooroordelen, discriminatie en geweld en voelen ze zich daardoor minder goed in hun vel. Zo durft twee op drie niet in het openbaar hand in hand wandelen met hun partner. Als je niet LGBTI+ bent, sta je bij zoiets helemaal niet stil. Er is dus het hele jaar nood aan solidariteit van de samenleving en de beleidsmakers. Iedereen kan een LGBTI+-bondgenoot zijn door aan te tonen dat je ons accepteert, door te reageren als je getuige bent van discriminatie van een LGBTI+-persoon of door LGBTI+-organisaties te steunen.”

Hoe kunnen we dat verschil tussen theorie en praktijk op andere manieren verkleinen?

“Met çavaria focussen we ons de komende jaren op welzijn: in het gezin, op het werk, in het onderwijs en in de welzijnssector. We willen gender- en heteronormen doorbreken zodat onze samenleving genderinclusiever wordt. Zo geeft KLIQ vormingen aan (toekomstige) leerkrachten. Als school en leerkracht is het belangrijk te weten hoe je kan reageren als iemand gepest wordt omwille van seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Als je voor die leerlingen opkomt, kan dat voor hun welzijn een serieuze boost zijn. Op Schooluitdekast.be geven we daar meer informatie over.”

“Verder kunnen we dat probleem in alle lagen van de samenleving aanpakken. Op de werkvloer kunnen we voor genderinclusieve toiletten gaan en de vacatureteksten genderinclusief maken door (m/v/x) in de beschrijving te plaatsen. Daarnaast is het ook belangrijk dat dokters en personeelsleden in de zorg LGBTI+-mensen goed opvangen. Stel dat je komt bij een dokter die volledig verkeerd reageert of totaal niets kent van transgenderproblematiek. Daar zit niet per se kwade wil van de dokter achter, maar eerder een gebrek aan kennis. Ook dat kan iemands trauma nog vergroten, zo’n drama’s moeten we vermijden. We zien ook vaak dat oudere holebi’s in woonzorgcentra terug in de kast terechtkomen omdat ze schrik hebben niet aanvaard te worden.”

Als hoofdredacteur van ZIZO denkt u ten slotte misschien ook aan de media?

“Die spelen uiteraard een grote rol. Bij ZIZO proberen wij als medium van çavaria een voorbeeld te zijn qua taalgebruik. Zo plaatsen we bijvoorbeeld vaker de voornaamwoorden van personen bij een interview. Niet alleen als het over een non-binair persoon (iemand die zich niet thuis voelt in de binaire gendercategorieën man of vrouw, red.) gaat die met ‘die/hun’ wil worden aangesproken, maar ook bij mensen die ‘hij/zijn’ of ‘zij/haar’ genoemd willen worden. We doen dat om bewustzijn te creëren. Zo tonen we dat je er niet vanuit kan gaan dat iemand met een mannelijke genderexpressie wil aangesproken worden met ‘hij’. Bij çavaria maakten we ook een woordenlijst: wie twijfels heeft over bepaalde begrippen, kan daar meer informatie vinden.”

“Taal is voor journalisten een wapen en het is inderdaad een belangrijk luik, maar het is zeker niet het enige. Iemands welzijnsgevoel heeft vooral veel te maken met het gevoel aanvaard te worden in de maatschappij. Die maatschappelijke aanvaarding bereik je niet met taal alleen.”

Vandaag is de Internationale Dag tegen Holebi-, Trans- en Interseksefobie:
Foto Unsplash

Felien Dekorte

Zit je met vragen over gender en/of seksuele voorkeur of heb je nood aan een gesprek? Contact opnemen met Lumi kan via www.lumi.be[email protected] en 0800 99 533. Kinderen en jongeren kunnen ook steeds terecht bij Awel (bel 102), voor volwassenen is er Tele-Onthaal (bel 106).