CHECK-IN. Welkom in Gambia: “The Smiling Coast of Africa”

Gambia

Van alle winterzonbestemmingen, is Gambia niet de eerste die in je opkomt. Nochtans heeft de West-Afrikaanse republiek wel wat te bieden. Een subtropisch klimaat het hele jaar door, fauna en flaura om ú tegen te zeggen (de baobabboom, 660 vogelsoorten en 620 vissoorten…) en een interessante geschiedenis en cultuur.

Foto’s en tekst: Afrodite Trevlopoulos

De reis

Naast de zonovergoten stranden, is de reistijd naar Gambia ook een goede reden om het land te bezoeken. Brussels Airlines vliegt tot vijf keer per week naar de hoofdstad Banjul in amper zes uur.

In Gambia spreekt iedereen je aan met een grote glimlach, want de inwoners willen de bijnaam ‘The Smiling Coast of Africa’ alle eer aandoen. Naast de Engelse voertaal, spreken ze er nog tien andere talen waaronder Mandinka, Fula, Wolof en Jola. Deze talen en gelijknamige etnische groepen komen vaak aan bod tijdens ontmoetingen, excursies en zelfs tijdens een shopuitje op de ambachtsmarkten.

Slapen

De meeste toeristen verblijven in één van de vele resorts langs de zandkust. De kwaliteit van de hotels wordt aangegeven met een score die niet altijd vergelijkbaar is met de onze. Onze tip is het Balafon Beach Resort. Het jongste zusje van Djembe en Djeliba Beach Resort is meteen het meest originele. Het beschikt over zestien traditionele Afrikaanse hutten, omringd door een zwembad dat door de tropische tuinen in de vorm van de Gambia-rivier loopt. Daarnaast is er nog het privéstrand, de vele activiteiten, lokale chefs die er heerlijke lokale  gerechten bereiden én je bent op wandelafstand van de bekende Poco Loco bar.

Eten

In de traditionele Gambiaanse keuken staan vis, kip, pinda’s, couscous en rijst centraal. Benachin, de one-pot wonder van het land, is zowat de liefdesbaby van de etnische groep Wolof en de Portugese kolonisten. Die laatsten voerden tomaat, wortel en kool in, wat nu niet meer weg te denken is uit de de Gambiaanse keuken.

Naast Benachin is ook Domoda een aanrader. Deze stoofpot is afkomstig van de Mandinka-stam waarbij pindasaus de show steelt. De meeste stoofpotten zijn van origine vegetarisch, maar als families het zich kunnen veroorloven, eten ze Domodo met kip. Ook met de lokale ‘butterfish’ is dit gerecht fingerlicking good. In lokale restaurants vind je alle gerechten voor amper 1,50 euro, terwijl ze in hotels het driedubbele durven te vragen. Het enige nadeel van buitenshuis te gaan eten is dat ze in restaurants koken met olie die onze ingewanden niet gewoon zijn. Eet als bijgerecht droog brood of rijst om de pijn te verzachten.

Op pad

Safari’s zoals in Zuid-Afrika of Tanzania zal je in dit kleine Afrikaanse land niet vinden. Laat je niet verleiden door de vele gidsen die beweren dat je op twee uur rijden in Fathala, Senegal wel dieren kan spotten. De leeuwen worden er geslagen en het prachtige graslandschap afgebrand, opdat toeristen veilig tussen de dieren kunnen wagen.

Wat je in Gambia wél moet doen is een bezoekje brengen aan de vele markten zoals Serrekunda Market of de Craft Market langs de Senegambia Road. Vergeet vooral niet af te dingen!

Naast de vele markten, is een rondvaart op de rivier een must. De meest populaire stop is de tussen mangrovebossen verscholen Lamin Lodge. Het gebouw telt drie verdiepen en is zelf gemaakt van mangrovehout. Het diende eerst als oesterboerderij, maar is intussen ook een restaurant en het vertrekpunt van vele bootjes. Na een rondleiding tussen de bergen oesters en kokkels, die de inwoners gebruiken om verf mee te maken, brengt een bootje je naar een eindbestemming naar keuze. Wij kozen voor Daranka: een klein dorpje waar men rijst en aardappelen teelt rond de silk cotton trees. Die zijn hol vanbinnen waardoor je met vier à vijf volwassenen kan binnenwandelen. Bizar, en dus helemaal Gambia!