“Nemmouche trok ten oorlog, hij bereidde zich voor op bloedbad”

Nemmouche trok ten oorlog, hij bereidde zich voor op bloedbad

Mehdi Nemmouche trok op 24 mei 2014, de dag van de aanslag op het Joods Museum in Brussel, ten oorlog. Hij bereidde zich voor op een bloedbad. Dat heeft federaal procureur Bernard Michel deze ochtend in zijn rekwisitoor gezegd toen hij de voorbedachtheid van de aanslag uitlegde aan de assisenjury. Gisteren legde advocaat-generaal Yves Moreau al uit dat er voor een moord sprake moet zijn van voorbedachten rade. “Het is duidelijk dat Mehdi Nemmouche enkele weken of maanden op voorhand beslist had om de feiten te plegen”, aldus Moreau, die ook benadrukte dat een dader de slachtoffers niet moet kennen om te kunnen spreken van voorbedachten rade.

Michel breide daar vandaag op voort: hij probeerde de jury duidelijk te maken dat het ging om moord in een terroristische context. “Om te spreken van moord, moet er de intentie zijn om te doden. En die was er: elk van de vier slachtoffers kreeg een kogel in het hoofd, de snelheid van uitvoering, …”

Wat de voorbedachtheid van de moorden betreft, is er volgens Michel geen twijfel mogelijk: “Natuurlijk was die er, een veelvoud aan elementen bewijst dat. De dader kwam naar het museum om te doden, zijn wapens waren geladen, het ging om een kalasjnikov en een revolver. Hij trok ten oorlog en bereidde zich voor op een bloedbad. Dames en heren van de jury, dàt is voorbedachtheid”, zo zei Michel op de hem bekende afgemeten toon. “Nemmouche reed meer dan 1.000 kilometer om de wapens naar Brussel te brengen, hij had een camera op zijn jas gekleefd. Op 23 mei deed hij al een verkenning van de plaats van de feiten.”

Michel legde ook uit dat Nemmouche zijn vier slachtoffers dan wel niet kende, maar dat dit niet uitsluit dat het om voorbedachtheid gaat. “Nemmouche wist dat hij ging doden. Alleen wist hij niet wie hij ging doden. Maar dat is niet belangrijk. Zo zijn er de twee dames het museum bezochten op het moment van de feiten en er ongedeerd uit kwamen. Een van hen had zich op het toilet verscholen. Had ze geniesd en Nemmouche had het gehoord, dan was ze nu dood. Omgekeerd ook: had Alexandre Strens op het moment van de feiten net een sandwich gehaald, dan leefde hij nu nog. Het was een secondenspel, de identiteit was niet belangrijk voor Nemmouche, wel het doel: slachtoffers maken”.

bron: Belga