Kinderarmoede in België groter dan in onze buurlanden

Kinderarmoede in België groter dan in onze buurlanden

De kinderarmoede in België is groter dan die in onze buurlanden. Vooral in Brussel en Wallonië leven veel kinderen in deprivatie. Dat blijkt uit een studie van de Koning Boudewijnstichting uitgevoerd door Frank Vandenbroucke (Universiteit van Amsterdam) en Anne-Catherine Guio (Luxemburg Institute of Socio-Economic Research). De onderzoekers vragen een globaal en ambitieus plan van alle beleidsniveaus om de problematiek aan te pakken. De analyse gebeurde aan de hand van een Europese indicator. Concreet worden kinderen als gedepriveerd beschouwd als er aan minstens drie van zeventien essentiële zaken niet wordt voldaan. Het gaat onder meer om het dagelijks eten van groenten en fruit, een voldoende verwarmde woning en minstens één keer per jaar op vakantie gaan.

In België bedraagt het aandeel gedepriveerde kinderen ongeveer 15 procent. “Dat cijfer is vergelijkbaar met Frankrijk, maar ligt hoger dan dat van de andere buurlanden”, zegt Guio. De belangrijkste risicofactoren die deprivatie van kinderen verklaren, zijn in ons land het gezinsinkomen, opgroeien in een huishouden waar (bijna) niet gewerkt wordt, het opleidingsniveau van de ouders, opgroeien in een eenoudergezin, schulden en woonkosten.



Het Belgische gemiddelde verbergt wel grote regionale verschillen. In het Brussels gewest heeft maar liefst 29 procent van de kinderen geen toegang tot minstens drie essentiële zaken, terwijl in Wallonië 22 procent van de kinderen gedepriveerd is. In Vlaanderen gaat het om maar 8 procent.

Een opvallende vaststelling is dat de intensiteit van deprivatie in België groter is dan in onze buurlanden. “Van de hele EU hebben we het slechtste cijfer wat betreft kinderen die opgroeien in een gezin waar niet of heel weinig wordt gewerkt”, zegt Vandenbroucke. “Die vaststelling is zeer paradoxaal, want als je kijkt naar onze rijkdom, dan is die ongeveer dezelfde als in onze buurlanden. Maar als je kijkt naar de armoede is er veel verschil.”

Dat verschil wijst er volgens de hoogleraar en gewezen sp.a-minister op dat “het dus niet zo is dat we niks kunnen doen aan de situatie”. Hij pleit samen met Guio voor een “globale, ambitieuze en gecoördineerde aanpak” die alle beleidsniveaus betrekt. Concreet is er onder meer nood aan hervormingen om de koopkracht van alleenstaande en laagopgeleide ouders te verhogen, de uitbreiding van betaalbare en kwaliteitsvolle kinderopvang en “een substantiële uitbreiding” van sociale huisvesting.

bron: Belga