Asiel en migratie – Vrouwelijke immigranten hinken achterop wat betreft integratie

Vrouwelijke immigranten hinken vaak achterop wat betreft de integratie in het land van opvang. Dat blijkt uit een rapport dat de Europese Commissie en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zondag hebben gepubliceerd. Vooral in België, Frankrijk en Nederland is er een kloof tussen autochtone vrouwen en vrouwelijke immigranten wat betreft de tewerkstellingsgraad. De OESO telt 128 miljoen immigranten, de EU telt er 58 miljoen, wat ongeveer 10 procent van de bevolking vertegenwoordigt. Tijdens het afgelopen decennium is hun aantal met 28 procent toegenomen in de Europese Unie, beklemtoont het rapport aan de vooravond van de internationale conferentie over het VN-migratiepact.
“In talrijke landen kan het voor sommige kwetsbare groepen immigranten zoals vluchtelingen tot 15 jaar of langer duren, gemiddeld, om gelijkaardige tewerkstellingsgraden te halen als de autochtonen en arbeidsmigranten”, aldus de Europese commissaris voor Migratie, Dimitris Avramopoulos, en de secretaris-generaal van de OESO, Angel Gurria, bij hun voorwoord in het rapport. “De inclusie van gezinsherenigingsmigranten, onder wie veel vrouwen, is ook een bron van ongerustheid.”
De vrouwelijke immigranten zijn minder tewerkgesteld dan de vrouwen die geboren zijn in het gastland. In België en Frankrijk is de tewerkstellingsgraad van vrouwelijke immigranten zelfs 14 procentpunten lager dan die van autochtone vrouwen. In Nederland bedraagt die kloof zelfs 17 procentpunten.
Vinden ze werk, dan zijn vrouwelijke immigranten vaker deeltijds aan de slag of komen ze vaker terecht in banen voor laaggeschoolden. Dat is vooral het geval in Zuid-Europa, met uitzondering van Portugal, en in Chili, Zuid-Korea en Slovenië. Het gaat daar om meer dan 30 procent van de tewerkgestelde vrouwelijke immigranten.

Bron: Belga