TIME OUT. Op stap met de Oostduinkerkse garnaalvissers

Foto Liesbeth De Corte

Garnalen worden doorgaans vanuit een boot gevangen, maar er zijn ook andere manieren. Sommigen zijn gek genoeg om een schepnet achter zich aan te sleuren, anderen zijn nog gekker en doen het vanop een paard. En wij? Wij zijn gek genoeg om hen een dagje te vergezellen.

Terwijl het buiten pikdonker is en zelfs de vogels nog slapen, begint de wekker onverbiddelijk te rinkelen. Als ik zeg dat ik géén ochtendmens ben, moet je dat vooral niet met een korreltje zout nemen. En als je ook weet dat ik een traumatische ervaring heb overgehouden aan een paardenkamp is het zeker niet vreemd dat dit de eerste gedachte is die door mijn hoofd spookt: waarom heb ik me in godsnaam opgegeven om een dag rond te hangen met een paardenvisser?

Glazen plafond 



Wonder boven wonder krijg ik me toch uit bed gesleept en drie uur later sta aan de wit-bruin-beige hoeve van Günther Vaubleu. De dampende kopjes koffie zijn net uitgeschonken, waardoor ik onmiddellijk besluit om de sympathieke West-Vlaming in mijn hart te sluiten. Günther is één van de vijftien paardenvissers. Tot mijn grote verrassing lijkt hij nog redelijk jong. Als ik de onbeleefde vraag durf stellen en naar zijn leeftijd pols, doorspiest de 43-jarige spring-in-’t-veld meteen een eerste vooroordeel. “De paardenvissers zijn helemaal geen oude rotten. Natuurlijk is er een oudere garde, maar er zijn ook twintigers én tieners die deze stiel uitoefenen. De jongste van de hoop is dertien jaar”, vertelt hij al brommend, terwijl hij een doos koekjes over tafel schuift. “Sinds kort hebben we zelfs een vrouwelijke collega. Vroeger waren de paardenvissers een traditioneel mannenbastion, maar zelfs hier wordt het glazen plafond doorbroken”, zegt hij met een knipoog.

Al van kleins af aan gaat de Oostduinkerkenaar vissen op het strand, maar zijn zonderlinge hobby is nog relatief nieuw. “Eigenlijk heeft mijn vriendin me een duw in de rug gegeven. Ze rijdt al langer en haar paard staat in een manege met heel wat boerenpaarden van enkele collega’s. Op den duur zat ik meer daar dan thuis, dus dan was de stap snel gezet. Ondertussen zijn we vier jaar verder en kan ik niet meer zonder.”

Besties

Even later knoopt hij zijn knalgele oliejekker vast en trekt hij zijn hoge knielaarzen aan. “Ik zie er al even hip uit als Kylie Jenner”, aldus de grapjas. Als hij de houten kar aanspant, zijn we vertrokken. Op een zéér gezapig tempo slentert Martha, zijn boerenpaard, door de woonwijk. “Ze is nog maar zes jaar, dat is de pubertijd in paardenjaren.” Veel zin om te werken heeft onze puber van dienst precies niet. Bij elk kruispunt dat we tegenkomen, aarzelt ze enkele seconden. “Als je haar niet in de gaten houdt, draait de luiwammes stiekem de foute straat in om weer naar huis te keren”, zucht Günther, maar de liefde voor het beest sijpelt duidelijk door in zijn klaagzang. Ook aan de manier waarop hij Martha zachtjes toefluistert, merk je dat de twee een bijzondere band delen. “Dat kan ook niet anders. Als je samen in de zee werkt, moet je elkaar door en door vertrouwen.”

Onderweg leer ik dat vissen steevast bij laag water gebeurt, omdat de garnalen dan samentroepen. De beste maanden zijn oktober en november. Tijdens de zomer is de vangst niet veel soeps, maar dan trekken de paardenvissers naar de Noordzee om de toeristen een plezier te doen.

Foto Liesbeth De Corte

Drie uur hard labeur

Na een tochtje door het natuurreservaat van Oostduinkerke komen we aan op het strand, waar we halt houden vlak voor de waterlijn. Dan gaat het plots allemaal snel: de kar wordt losgemaakt, de netten aangespannen, Martha krijgt twee geweefde manden op haar rug en voor je het weet staat de knol tot aan haar middel in het water. Normaal gezien zijn de paardenvissers dan drie uur lang in de weer. Om de zoveel tijd komen ze uit het water om de vangst uit de netten te halen en te zeven. Ongewenste gasten zoals krabben, giftige pietermannen en andere kleine vissen worden weer in de zee geworpen. Of in de bek van enkele schreeuwerige meeuwen, die zich enthousiast verzamelen rondom de visser. Ikzelf blijf in de tussentijd achter op het strand, waar de frisse zeewind mijn sinussen openzet en de grijsblauwe lucht zorgt voor een welgekomen rust in mijn hoofd.

Foto Liesbeth De Corte

Terug thuis is het tijd om de vangst te ‘kuisen’. Terwijl we de laatste vissen uit de korven halen, krijg ik even medelijden met de nog levende beestjes die in paniek met hun poten spartelen. Net alsof ze weten welke vreselijke dood hen te wachten staat. “Het water mag nét niet koken, anders worden ze te taai”, verklapt Günther. “Na vijf minuten komen de garnalen bovendrijven en zijn ze veranderd van kleur. Als ze witte stippen krijgen, mag je ze uit de pot halen.” Onder het mom dat garnalen het lekkerst zijn als ze nog warm zijn, mag het ganse gezelschap onmiddellijk enkele exemplaren proeven. Goddelijk, alsof er een engeltje over je tong plast. En eerlijk is eerlijk: de lekkernij doet de gedachten aan de vroege ochtend en het vreselijke paardenkamp compleet naar de achtergrond verdwijnen.

Liesbeth De Corte