Europees Parlement wil wereldwijd verbod op dierproeven voor cosmetica

Europa moet een diplomatiek offensief uitrollen om ervoor te zorgen dat tegen 2023 een wereldwijd verbod op dierproeven voor cosmetica wordt ingevoerd, zo stelt de milieucommissie van het Europees Parlement in een resolutie. In de Europese Unie bestaat sinds 2013 een verbod op de verkoop van cosmetica waarvoor dierproeven zijn aangewend. Dat verbod heeft de industrie niet verhinderd om zich verder te ontwikkelen, menen de Europarlementsleden. Volgens hen staat dan ook niets in de weg van een Europees offensief om de rest van de wereld te overtuigen. Tachtig procent van de landen staat immers nog steeds dierproeven toe.

Het Europese verbod vertoont volgens de parlementsleden wel wat tekortkomingen. Zo worden sommige cosmetica elders getest op dieren, om vervolgens in de Europese Unie aan de hand van alternatieve methodes opnieuw getest te worden en op de Europese markt gebracht te worden. Ook zijn er cosmetica aanwezig in geneesmiddelen, schoonmaakproducten en voeding, waardoor ze binnen een ander juridisch kader wel op dieren getest konden worden. Tot slot vinden de Europarlementsleden het problematisch dat het helemaal niet duidelijk is hoeveel cosmetica ondanks het verbod wel op dieren getest zijn.

Ze willen een mondiaal verbod bewerkstelligen en vragen de Europese leiders om hun diplomatieke netwerken daarvoor aan te spreken. Er zou een internationale conventie moeten worden opgericht – binnen het kader van de VN – om tegen 2023 het verbod in te kunnen voeren, betogen de parlementsleden.

Een verbod kan de ontwikkeling van alternatieve, innovatieve en meer humane testmethoden stimuleren, luidt het. Dat juicht ook Hilde Vautmans (Open Vld) sterk toe. “Dierenproeven voor cosmetica kan je niet rechtvaardigen. Er zit geen enkele medische drijfveer achter”, zegt ze. “De EU moet hier het goede voorbeeld geven en andere landen aansporen naar alternatieven te zoeken. Hiervoor zouden we uiteraard middelen moeten vrijmaken voor universiteiten, onderzoekinstellingen en bedrijven zodat zij ook financieel in staat zijn om onderzoek naar alternatieven te kunnen doen.”

bron: Belga