King Dalton: “We kunnen heel hoog vliegen en heel diep vallen”

King Dalton
Foto R.V.

Broeierig, mysterieus, verontrustend maar ook zalvend en voorzien van een rijk, organisch klankbeeld. ‘The Third’, het nieuwe album van King Dalton, heeft alle troeven van een verslavende ‘slow burner’ in huis.

King Dalton bestaat uit de broers Pieter en Jonas De Meester, Tomas De Smet, Jorunn Bauweraerts en Frederik Heuvinck. Voor de opnames van hun tweede album ‘Thilda’ resideerde de band nog in een oude Kalmthoutse villa die ook haar naam aan de plaat gaf. Voor nummer drie – ‘The Third’ dus – waren er maar liefst zes verschillende studio’s nodig.

Kan ik daaruit afleiden dat het bijzonder moeilijk was om de agenda’s enigszins gelijk te stemmen?



Pieter: «Voor de eerste twee albums lukte het nog om twee à drie weken samen van de wereld te verdwijnen. Nu was het onmogelijk. Mijn zijproject Stavroz loopt erg goed momenteel. Ook internationaal, van Istanboel tot San Francisco. En dat op een heel eigen manier, los van welke hype dan ook. Maar zoiets vreet tijd. Jorunn zit ook nog in Laïs, Tomas is een drukbezet muzikant, net als Frederik. En mijn broer is ook altijd wel met een of ander project bezig.»

Jonas: «Nu doken we voor twee of drie nummers enkele dagen in een heel andere wereld. Of het nu in Waimes, Gent, Antwerpen of Kalmthout was. Het was steeds met een frisse geest en met enorm veel goesting. Daar het steeds voor een korte periode was, behielden we zeer goed onze focus.»

Je hoort echt niet dat de plaat op zoveel verschillende plaatsen is opgenomen. Ze klinkt zeer hecht over heel de lijn. Speelt tien jaar ervaring hier een rol in?

Jonas: «We hebben al zoveel gespeeld en ontelbare keren met elkaar in een busje gezeten dat er steeds minder woorden nodig zijn om elkaar te begrijpen. Ik denk dat er steeds meer eerlijkheid naar boven komt drijven na al die jaren. En we zijn betere muzikanten geworden. Hoop ik toch…»

Pieter: «Iedereen heeft zijn plek gevonden binnen de band. Daardoor beschouw ik ‘The Third’ een beetje als thuiskomen. Hier droomde ik als puber van toen ik voor het eerst muziek begon te maken. Kunnen leven van je muziek, de wereld rondtrekken, maar even gelukkig zijn wanneer je in België kan spelen. Dit gevoel moet ik koesteren.»

‘Bloed, zweet en tranen’ stond er op een post-it die de promoman van Waste My records op de cd had gekleefd. Was het echt zo erg?

Pieter: (lachend) «Als je het echt meent, is het altijd erg. Je wil gewoon het beste uit je muziek halen. Zo simpel is het. Maar zo’n proces tolt vaak met je geest. Ik lever de schetsen aan en daarna gaat de groep ermee aan de slag. Dat is een hele zoektocht met veel vallen en opstaan. Iedereen heeft wel een mening of een bepaald gevoel en die input is belangrijk. Confronterende meningen leiden vaak tot een zeer spannend resultaat. Op een of andere manier hebben we een latrelatie met zijn vijven en dat werkt.»

Jonas: «Uiteindelijk wil iedereen de best mogelijke plaat afleveren. Toegegeven, er waren wel wat spanningen omdat we elkaar een tijdje niet gezien hadden door allerlei nevenprojecten. Maar die intense en rijke gezamenlijke achtergrond strijkt die plooien sowieso snel glad.»

In een bandje spelen dat is en blijft een psychologisch mijnenveld, niet?

Pieter: «King Dalton kan zeer hoog vliegen maar evengoed bijzonder laag vallen of hard neerstorten. Het is een deel van ons proces als band. We hebben net als miljoenen andere muzikanten de nodige Spinal Tap-momenten meegemaakt en dat is oké. King Dalton voelt voor mij aan als een vertrouwd moederschip waar je met plezier opnieuw wil aanmeren. Ik had er trouwens alle vertrouwen in dat mijn schetsen door de andere bandleden alleen maar tot goede songs zouden gesmeed worden.»

Dirk Fryns
King Dalton staat op 03/03 in de AB in Brussel.