Ariane Ascaride: "Alleen kunst kan ons uit de shit halen"

Ariane Ascaride:
Agat Films & Cie / France 3 Cinema

Ariane Ascaride werd geboren in Marseille als kind van Napolitaanse ouders. Samen met Jean-Pierre Darroussin en Gérard Meylan vormt ze het trouwe acteurstrio van regisseur Robert Guédiguian. ‘Marius et Jeannette’, ‘L’armée du crime’, ‘Les neiges du Kilimandjaro’, sinds 1980 speelde ze in alle films van de cineast, een van de geëngageerdste van de Franse cinema én haar levenspartner. Het groepje is weer compleet in ‘La Villa’, een verhaal over twee broers en een zus die elkaar terugvinden rond het sterfbed van hun vader.

In ‘La Villa’ werk je weer samen met je man, Robert Guédiguian, en met Jean-Pierre Darroussin en Gérard Meylan. Hoe is de film ontstaan?

Ariane Ascaride: “De cinema van Robert is als een dagboek. Als je al zijn films na elkaar bekijkt, zie je de weerspiegeling van zijn leven. In ‘La Villa’ zegt Jean-Pierre Darroussin op een bepaald moment: ‘Ik heb geen zin meer om te dansen. En ik heb heel graag gedanst.’ Da’s Robert. Het is waar, hij danst niet meer. En hij heeft veel gedanst. Ik heb het hem geleerd. Wat ik zo leuk vind in deze film, is dat hij zich voor de eerste keer toont.”

Jean-Pierre Darroussin speelt een vroegere fabrieksarbeider, een teleurgestelde gauchist… Is dat geïnspireerd op zijn eigen leven?



“Hij heeft die mensen ontmoet ja, vlak na mei ’68… Dat was fascinerend voor ons, maar we begrepen ook heel snel dat het niet werkte. Die studenten die in de fabrieken aankwamen met hun revolutionair discours en arbeider wilden worden, zijn uiteindelijk in een zware depressie beland. Een arbeider kiest er niet voor om arbeider te zijn. Niemand wil acht uur aan de band werken. Je doet dat omdat je geen keuze hebt. Dat zal gelijk welke arbeider bevestigen.”

Ben jij een nostalgica?

“Nostalgie bestaat, ook al wil je dat niet. Als ik bijvoorbeeld terugkeer naar Marseille dan passeer ik altijd in mijn oude buurt. Ik kijk wat er veranderd is, de winkels, de huizen… Da’s pure nostalgie. Maar ik kan niet alleen in die nostalgie leven. Ik weet dat ik ga sterven, er is geen haast bij (lacht)!”

Marseille is erg veranderd. Welk gevoel heb je daarbij?

“Marseille is een rare stad. Rebels, eclectisch, gebouwd door buitenlanders die van over zee kwamen. Er is nu het MUCEM, het nieuwe museum. Heel mooi, maar er zijn nog altijd mensen die er voorbijlopen en ‘Bah!’ roepen (lacht). Dat vind ik leuk. Het is ook een stad waar armen nog in het centrum wonen, ook al proberen ze die buiten te krijgen. Dat bestaat bijna niet meer in Frankrijk. Alle armen zijn naar de rand van de stad verdreven.”

Jouw familie komt uit Napels…

“Mijn grootouders zijn Napolitaans, maar mijn vader heeft nooit Italiaans met ons gepraat. Ik heb dat zelf geleerd. En wanneer ik iets tegen hem zei in het Italiaans, antwoordde hij in het Frans! Italianen werden in Marseille als dieven behandeld. Hij schaamde zich daarvoor. Maar dieven, die vind je overal (lacht).”

Zijn de migrantenkinderen in de film een verwijzing naar de actualiteit?

“Kunst gaat altijd over de wereld waarin we leven. Het lijkt me nogal evident dat we het hebben over die mensen die per boot naar Italië en Griekenland vluchten… en Europa helpt niet. Ik wil niet zeggen dat ik niet akkoord ben, maar dat ik beschaamd ben! Natuurlijk is het ingewikkeld. Maar het kan iedereen overkomen. Ik heb de indruk dat Europa zijn geschiedenis vergeet. Het is altijd hetzelfde probleem geweest: wie van buiten komt, wordt geweigerd. Zo denk ik niet. Toen ik op mijn 20ste uit Marseille in Parijs aankwam, was ik au pair. Ik was bang, want in mijn wijk woonden alleen blanken. Ik was het gewend om mensen in alle kleuren te zien. Wie van over zee komt, is onze toekomst. En wij laten die sterven in het water. Dat is ontoelaatbaar.”

Je maakt al lang geëngageerde films, met of zonder Robert Guédiguian. Humanitaire, politieke, economische crisissen… De wereld verandert, de cinema ook. In welke richting?

“Er is niet maar één cinema. Sommigen maken sneakers aan de lopende band. Anderen maken één paar sublieme schoenen. Ik heb het geluk Française te zijn. De Franse cinema is springlevend. Net als die in Spanje of Italië. Maar het ligt moeilijk. We moeten de politici wakker schudden, maar het zijn ezels (lacht). Ze hebben weinig cultuur. En da’s beangstigend, want cultuur en kunst zijn van fundamenteel belang in onze geglobaliseerde samenleving. Het is het enige dat ons uit de shit kan halen.”

Tijdens een flashback in de film zien we jou als jonge vrouw. Was dat gepland?

“Nee, we wisten dat niet. Het zijn fragmenten uit ‘Ki Lo Sa’, een film uit 1985. Tijdens de montage zei Robert: ‘Ik heb iets gedaan, je zal wel zien’. En toen ik het resultaat zag, was ik heel ontroerd. Het feit dat we nog altijd vrienden zijn, dat we nog altijd samen films maken. Da’s prachtig.”

Elli Mastorou

RECENSIEOVERZICHT
La Villa