Onze journalist trok naar Marokko, een land van uitersten

Marokko
Foto Charlotte De Cort

Verdwalen in de medina van Marrakech, puffen op een dromedaris in de Sahara, zwoegen in het Hoge Atlasgebergte, uitblazen op het strand. Marokko, het scharnier tussen Europa en Afrika, tussen christendom en islam, biedt voor ieder wat wils. Of toch voor de reiziger die bereid is om een beproevend cultuurverschil te omarmen.

Marokko kent weinig geduld. Na de luchthaven komen we meteen in een wirwar van straatjes terecht die samen de medina van Fès vormen. We moeten opzij springen voor een toeterende brommer en een ezel met op de rug een jongeman die luidkeels in zijn smartphone roept. We begrijpen meteen: in dit land gaan traditie en moderniteit hand in hand.

Oriëntatieproblemen



Mijn oriëntatievermogen laat mij al snel in de steek, maar gelukkig heeft mijn reismaatje zijn opzoekingswerk gedaan. Bij aankomst in onze riad – een gerestaureerde patiowoning met binnenplaats – nemen we meteen plaats aan tafel met man des huizes Yussef om te onderhandelen over een meerdaagse trip. Na een uur discussiëren en afwegen klokken we af op de helft van het oorspronkelijke bedrag voor een tocht door de woestijn en de bergen.

Maar voor we aan die tocht beginnen, plannen we een uitstap naar de parel van het noorden. Met een lokale bus trekken we naar Chefchaouen, ook wel ‘the Blue Pearl’ genoemd. Na een wandeling door de goed bewaard gebleven medina worden we getrakteerd op een prachtige zonsondergang boven het ongeveer 40.000 inwoners tellende stadje met zijn karakteristieke blauw gekalkte huizen. En zo verovert Chefchaouen meteen een plekje in ons hart.

Uitzicht op de Melkweg

Vanuit Fès vertrekken we met een gammele auto richting de Merzouga woestijn. Gelukkig is Abdul een uitstekende chauffeur. Onderweg passeren we een skigebied waar massa’s sneeuw ligt in de winter.

’s Avonds worden we in het donker met de jeep gebracht naar onze Kasba, een traditioneel hotel gerund door Berbers. In tegenstelling tot de Arabieren spreken de Berbers verschillende eigen talen en wonen ze vaak op het platteland (met uitzondering van Marrakech). De sterrenhemel die zich daar te midden van de zandduinen boven ons hoofd uitstrekt, is van een ongeziene schoonheid. Zelfs de Melkweg openbaart zich in al zijn glorie.

De volgende dag maken we een trektocht op dromedarissen om te overnachten in nomadententen. Liggend in het warme zand aanschouwen we hoe de zon langzaam achter de Sahara kruipt. In het tentenkamp krijgen we een heerlijke tajine voorgeschoteld, maar mijn darmen pruttelen tegen. ’s Nachts ben ik ziek, en mijn verteringsstelsel zal de hele reis nog tegendraads doen.

Palmbomen, vijgen en granaatappels

We zetten koers richting de Hoge Atlas. Een nieuwe chauffeur leidt ons door een grillig doorkliefd, canyonachtig gebergte met prachtige valleien waar dankzij de aanwezigheid van water het landschap groen kleurt en palmbomen welig tieren. Hij zet ons af in de Todrhakloof, een dal met steile, ruige rotswanden en een weelderig uitgestrekte palmeraie.

Onze gids Mohammed vertelt over zijn geliefd gebergte en klimt ondanks zijn rijpe leeftijd in de bomen zodat we kunnen proeven van verse vijgen en granaatappels. Volgens hem is Marokko op de goede weg. Zo moderniseerde koning Mohamed VI het islamitische familierecht om vrouwen meer rechten te geven en telt de overheid ondertussen al vier vrouwelijke ministers.

Machocultuur

Toch is Marokko op veel gebieden in het dagelijks leven een mannenwereld. Vooral in Marrakech stoor ik mij aan die machocultuur. Hoewel de bruisende stad ons overweldigt met kleurrijke soeks, historische stadpoorten en een marktplein vol spektakel, doet de drukte ons al snel vluchten naar de Jebel Toubkal, een berg die met zijn 4167 meter het hoogste punt in de Arabische wereld is.

Chocolade to the rescue

Na een dagje klimmen overnachten we in een herberg. In het midden van de nacht staan we op om aan de klim in het donker te beginnen. Hoe hoger we gaan, hoe dankbaarder ik ben dat ik een skibroek en handschoenen heb kunnen huren. Maar tegen de duizelig- en misselijkheid heb ik niets mee, dus moet ik geregeld rusten. Wanneer ik echt kortademig word, schiet een Brits koppel mij ter hulp met twee repen chocolade. Ze grappen dat het onbegrijpelijk is dat ik als Belg zelf geen chocolade op zak heb, en ik kan weer lachen. Aangekomen op de top verdwijnen al mijn klachten: het uitzicht op de witte bergtoppen tegen een adembenemende kleurenhemel was het dubbel en dik waard.

Om uit te rusten trekken we naar de kust. In het idyllische Essaouira schijnt de zon het hele jaar door, maar durft de wind ongenadig hard te waaien. Gelukkig vinden we een prachtige villa op een tiental kilometer van de zee, waar we de laatste twee dagen nagenieten van een reis vol kleuren, geuren en levenslessen.

Tekst en foto’s Charlotte De Cort