Mura Masa: "Ik ben meer het slaapkamer-type"

Morgen staat hij in de AB. Wie gaat heupwiegen en schuren dat het een lieve lust is, mag zijn beide pollekes kussen, want de tickets vlogen op nog geen vijftien minuten de deur uit. Van plattelandsjongen tot elektronica-maestro: Mura Masa, dames en heren.

Het schoolvoorbeeld van de rijzende ster die bakken lof oogst en overal ter wereld de top van de charts overheerst? Dat is Mura Masa, of Alex Crossan zoals de 21-jarige producer echt heet. Getuige het veelvuldige gebruik van het coole stopwoord ‘like’ (tijdens ons onderonsje nam hij het maar liefst 83 keer in de mond, we hebben het nageteld). Gelukkig drukt hij ons op het hart dat hij als een ware schizofreen nog steeds dezelfde simpele jongen van de boeren buiten is. Of het aan zijn sympathieke bolle snoet ligt of het je m’en foutisme dat hij met overtuiging uitstraalt, we geloven hem meteen.



Alex Crossan: “Mijn tienerjaren heb ik beleefd in Guernsey, een piepklein en volledig geïsoleerd eiland. Op muziekvlak is het daar heel stilletjes. Mijn eerste stappen in de muziekwereld waren dan ook in een gospelband, een kerkkoor en een punkgroep.”

Dat zijn nogal uiteenlopende genres.

“Het beste van beide werelden hé. (lacht) Het is wel een leerrijke start geweest. Bij de gospelband is het enorm belangrijk dat je ongelofelijk strak speelt en fatsoenlijk communiceert met de andere muzikanten. In een punkgroep word je dan weer gedwongen om alle remmen los te gooien.”

Mijn eerste plaat moest de perfecte weerspiegeling zijn van mezelf

Hoe ben je uiteindelijk in de elektronische muziekwereld gerold?

“Aanvankelijk vond ik elektronische muziek maar niets, omdat ik het vooral kende als house en als de typische hitjes die élke zaterdagavond in élke club gedraaid worden. Pas toen ik door urenlang breinloos surfen op het internet artiesten als James Blake en Hudson Mohawke ontdekte, merkte ik dat zo’n muziek ook een emotionele kant kan hebben. Dan ben ik in gang geschoten, heb ik software – ahum – illegaal gedownload en mezelf alle truken van de foor geleerd.”

Heb je er nooit aan gedacht om een soort mentor onder de arm te nemen die je wegwijs maakt in het wereldje?

“Nee joh. Door alles zelf uit te proberen, te prutsen en te klungelen, ontwikkel je tenminste een eigen geluid. Dat is toch veel beter dan te luisteren naar iemand die je alles met hand en tand uitlegt? Omdat ik zodanig afgelegen woonde, moest ik als het ware door een telescoop kijken om te checken wat hip en happening was in Londen, vooraleer ik er een eigen draai aan kon geven. Dat heeft me gemaakt tot wie ik ben: een buitenbeentje.”

Het heeft er ook toe bijgedragen dat je alles zelf hebt gedaan voor je debuutalbum: je hebt zelf de muziek ingespeeld, alles geproducet en gemixt. Waarom heb je daarvoor gekozen?

“Omdat ik een enorm ego heb. (lacht) Nee serieus, ik wilde per se dat mijn eerste plaat een weerspiegeling was van mezelf. Vandaar ook dat ik het album naar mezelf vernoemd hebt. Een keerzijde van de medaille is dat ik een perfectionist met trust issues ben. De songs moesten echt, echt, maar dan ook écht piccobello zijn. Het gevolg is dat ik te veel piekerde en verzoop in de details. Al bij al duurde het meer dan twee jaar om alles af te ronden. Bij nader inzien had het veel sneller ook gelukt.”

Ben je uiteindelijk tevreden met het resultaat?

“Dat verschilt van dag tot dag. Soms haat ik het uit het diepste van mijn ziel, de andere keer vind ik sommige stukken best meevallen. (lacht) Maar ik heb geen spijt dat ik niets overhaast gedaan heb. Dankzij mijn engelengeduld heb ik het geluk gehad om met een heleboel fantastische muzikanten samen te werken. Ik hoop én denk dat dat in de toekomst wel deuren voor mij zal openen.”

Dat kan je wel zeggen: ASAP Rocky, Desiigner, Damon Albarn, Bonzai enzovoort. Dat is een indrukwekkende, maar ietwat vreemde mix van mensen. Hoe heb je die bijeengeschraapt?

“Ik heb één gouden regel: ik moet een enorme fan zijn van hun muziek. Als ze andersom jouw werk ook appreciëren, is dat mooi meegenomen. Stel dat je met iemand in de studio kruipt, enkel en alleen omdat het label dat vraagt, dan mis je sowieso een soort van chemie.”

Bij wie was je het meest onder de indruk?

“Hm, moeilijk, want stiekem ben ik een groupie van al mijn gastzangers… (denkt na) Ik kan je wel een grappige anekdote over Christine and the Queens vertellen. Ik zat samen met Héloïse (zoals de Franse zangeres echt heet, red.) in de studio om een nummer op te nemen. Ze zette haar keelgat open en zat er het ganse lied boenk op. Normaal gezien stop je verschillende keren om bepaalde delen opnieuw op te nemen, maar bij haar was de eerste take onmiddellijk perfect. Dat was zo indrukwekkend. Ik hou echt van haar.”

Over houden van gesproken. Ik heb horen waaien dat je Engelse literatuur hebt gestudeerd en dat je dolgraag boeken leest. Pak je nu nog soms een boek vast?

“Tijdens mijn studententijd zat ik uren met mijn neus in de boeken. Jammer genoeg heb ik daar nu geen tijd meer voor, wat strontvervelend is. Maar ik moet ook wel eerlijk toegeven: als ik écht meer wou lezen, zou ik er wel tijd voor maken. In de plaats daarvan blijf ik me gewoon schuldig voelen en troost ik mezelf met de gedachte dat ik later een gigantische boekenkast in mijn huis zal installeren om dan het rijtje af te gaan.”

En wat betreft de studententijd, mis je dat onbezorgde leventje soms?

“Dat valt wel mee. Af en toe mis ik de vrijheid. Ik ben meer het slaapkamer-type. Je weet wel, zo van die bleke kerels die zich het liefst binnen opsluiten. Nu ben ik constant onderweg, zij het met het vliegtuig, zij het met de auto. Toeren klinkt misschien glamoureus, maar het is echt zwoegen en zweten. Zeker als ik een ganse dag in een busje gezeten heb, vraag ik me soms af waar ik in godsnaam mee bezig ben. Maar dan kan ik ’s avonds weer een show geven en besef ik opnieuw dat ik met mijn gat in de boter ben gevallen.”

 

Liesbeth De Corte

Mura Masa speelt vrijdag 27 oktober in een uitverkochte Ancienne Belgique.