Guido Belcanto: "Zanger zijn is geen carrière, maar een roeping"

‘Liefde en devotie’, twee plechtige woorden omfloerst met een zekere ‘gravitas’. Meer heeft Guido Belcanto niet nodig om zijn dertiende studioalbum te voorzien van de veruitwendiging van een consequente levensmissie.

“Eerst wilde ik de plaat ‘Liefde en compassie’ noemen. ‘Compassie’ is zo’n woord dat in onbruik is geraakt. Men zegt nu medelijden, maar compassie klinkt voor mij minder negatief. Je hoort er de belofte ‘met passie’ in en dat is iets anders dan puur medelijden. Compassie met de medemens is iets dat me drijft als artiest. Ik trek het me aan wanneer ik een sukkelaar zie. Het inspireert me ook. Maar na wat gesprekken met vrienden en producer Nicolas (Rombouts, contrabassist in zijn band, ex-Dez Mona, red.) is het uiteindelijk ‘Liefde en devotie’ geworden, twee levenswijzen waarmee ik mijn roeping belijd. Zanger zijn is geen carrière, wel een roeping waarvoor ik ooit op de wereld ben gezet. Ik voel die liefde en toewijding voor mijn fans. En dat al vanaf het eerste uur.”



Is die bewustwording door de jaren heen alleen maar sterker geworden?

Guido Belcanto: “Zeker de bewustwording van mijn taak als zanger. Ik voel me nu echt een soort zendeling. Vroeger wilde ik me veel meer bewijzen, nu niet meer. Zeer geruststellend. Ik heb mijn eigen stijl en om het met een boutade te zeggen, ik ben een stroming op zich. Als iemand oppert dat ik mezelf al die jaren blijf herhalen, antwoord ik meteen ‘Wie anders moet ik dan herhalen?’ Mijn platen en liedjes zijn de voortzetting van een oeuvre dat ik langzaam maar zeker heb opgebouwd.”

“Ik heb mijn eenzaamheid nodig”

Een goed liedje schrijven is een kunst die je mondjesmaat meer en meer beheerst. Hoe zit dat bij jou?

“Ik heb het soms lastig met het feit dat songschrijven niet als een echte kunst wordt beschouwd. Als je het woord kunstenaar laat vallen, denken mensen meteen aan beeldhouwers of schilders. Nooit aan songschrijvers. Gelukkig is ons vak weer wat in ere hersteld door de toekenning van de Nobelprijs aan Bob Dylan. In de ogen van de massa ben ik een zanger, maar er zijn zoveel zangers die zelf geen nummers schrijven. Journalisten en trouwe fans weten dat ik dag in dag uit bezig ben met het creëren van een eigen universum. Aan de grote massa gaat dat voorbij. Voor mij is een songwriter met een eigen oeuvre dan ook een kunstenaar. Ik vind het artistiek evenwaardig aan wat bijvoorbeeld een beeldend kunstenaar doet.”

Hoe zie jij een goed lied?

“Als iets dat moet gezongen worden op een podium. Je legt het voor de eeuwigheid vast op plaat, maar het komt pas echt tot leven tijdens een concert. Net zoals troubadours die vroeger van stad tot stad trokken en hun liedjes lieten evolueren. Mijn songs zijn qua taal ook zeer eenvoudig. Tijdens een concert moet het vooruit gaan en iedereen moet een zin onmiddellijk kunnen begrijpen. En het is best een opgave om binnen die eenvoud een universum te creëren dat de verbeelding blijft prikkelen. Om dat te bereiken heb ik de eenzaamheid nodig die ik hier in de bossen van Wechelderzande vind. Weg van de wereld en een vrij Spartaanse levenswijze die je scherp houdt. Werken aan een goede song schenkt me het opperste genot. Ik weet na al die jaren ook meteen of iets al dan niet de moeite is.”

Je ziet er nog steeds patent en gezond uit. Een gezonde dosis vanitas moet kunnen, niet?

“Zeer zeker. Ik fiets veel, zwem regelmatig en verzorg me. IJdelheid is ook een vorm van respect tegenover andere mensen. En zeker tegenover vrouwen en mijn fans. (lachend) Ik wil na mijn dood eigenlijk het mooiste lijk zijn. Als dat geen nobel streven is…”

Dirk Fryns

 

Guido Belcanto speelt op 04/10 in het cultuurcentrum in Strombeek-Bever.