‘120 Beats Per Minute’: de strijd van Act Up tegen aids

'120 Beats Per Minute'
Foto Céline Nieszawer

Voor hij filmmaker werd, was Robin Campillo (‘Eastern Boys’) in de jaren 90 militant bij Act Up-Paris, een holebivereniging die de strijd aanbond tegen aids. De herinneringen aan die onstuimige periode van meetings, burgerlijke ongehoorzaamheid, ruzie, vreugde en liefde verwerkt hij met veel finesse en electroritmes in ‘120 Beats per Minute’. Metro sprak met hem in Cannes, net voor hij de Grand Prix won.

Waarom heb je deze film net nu gemaakt? Omdat het onderwerp wat in de vergetelheid geraakt is?

Robin Campillo: “Ik zou graag ja zeggen, maar da’s niet helemaal waar. Het was eerder persoonlijk. Cinema en aids hebben een grote rol gespeeld in mijn leven en ik wilde er al lang een film over maken. In 1983 begon ik aan de filmschool en toen ik afstudeerde, was de epidemie losgebarsten. Ze zat in m’n hoofd en ik was zo bang dat ik vergat te leven. Films maken lukte ook niet meer. In 1992 sloot ik me aan bij Act Up, om mijn angst te confronteren. Het was een hele positieve groep, omdat de mensen die de epidemie meegemaakt hadden de handen in elkaar sloegen en het onderwerp bespreekbaar maakten. Het idee om een film te maken was er al, maar ik heb het tien, vijftien jaar laten liggen. Tot Laurent Cantet (Gouden Palm voor ‘Entre les Murs’, samen met Campillo geschreven) me binnenhaalde in de cinema. Na ‘Eastern Boys’ voelde ik me bekwaam genoeg om al die zaken in scène te zetten. Als er één film is die ik moest maken, dan was het over Act Up.”

Een groepsportret maken, is geen makkelijke klus. Hoe heb je dat aangepakt?

“Het was inderdaad een stevig karwei. Net omdat het een groepsportret is, was het belangrijk dat alle gezichten herkenbaar zijn. Ik had een muur volgeplakt met de gezichten van de acteurs en ik begon te puzzelen: die moet daar verschijnen, want we hebben hem al een tijdje niet meer gezien… Da’s vrij technisch.”

We zien ook veel meetings en gesprekken, die niet altijd even makkelijk te volgen zijn…

“Act Up is een ongelofelijk grappige plek. Zelfspot, moppen over de ziekte, enzovoort. Het is alsof je een parallel universum binnenstapt, waar je niet alles begrijpt. In de film kijken we mee over de schouder van Nathan. Je ziet een beetje, maar niet echt goed. In de cinema denkt men vaak dat je de kijker bij het handje moet nemen en hem alles moet uitleggen. Ik vind dat je mensen in het water moet gooien en kijken hoe ze leren zwemmen. Ik aanvaard dat de kijkers niet alles begrijpen. Toen ik daar aankwam en ze over T4 of DDI begonnen, begreep ik ook niet veel! Niet alles snappen maakt deel uit van het leven.”

Act Up sprak via Twitter zijn steun uit voor je film op de dag van de vertoning in Cannes. Was het belangrijk hen te betrekken bij het project?

“Het was onmogelijk hen er niet bij te betrekken. Het was ook belangrijk niet paternalistisch over te komen en de oude strijder uit de gouden jaren uit te hangen. Ik wilde hen gewoon uitleggen dat ik een persoonlijke film maakte over Act Up en dat ze het recht hadden kritiek te geven. Ik heb hen het scenario laten lezen en ze vonden het heel goed. Ze hadden ook respect voor het feit dat ik die periode zelf heb meegemaakt. Idem voor mijn coscenarist, die destijds voorzitter van de vereniging was. Ik zou me slecht voelen mochten de mensen die ik toen kende, de anciens en de overlevers, zich gekwetst voelen door de film. Maar eerlijk gezegd zie ik dat niet gebeuren.”

De vaak heftige acties van Act Up (nepbloed gooien…) leverden hen hevige kritiek op. Maar is vreedzaam protest wel echt altijd mogelijk? Hoe zou jij reageren op die kritiek?

“Voor Act Up was er AIDES. Zij werden gezien als de ‘friendly gays’. Wij zouden de slechteriken zijn. Dat was het project. Er was inderdaad heel wat symbolisch geweld, onder meer met dat nepbloed gooien. Ik herinner me een confrontatie tussen iemand van het AFLS (Frans agentschap voor de strijd tegen aids, red.) en een militant van Act Up. Hij verweet hem onaanvaardbaar en crimineel gedrag. Dat vond ik veel gewelddadiger dan nepbloed gooien of iemand handboeien. Maar ik wilde ook tonen dat er interne onenigheid was. Sommige leden vonden dat we te ver gingen. Da’s normaal. Niet homogeen zijn, is een troef.” 

Elli Mastorou