Topvrouw GO! hekelt verdeling middelen voor ondersteuningsnetwerken

Topvrouw GO! hekelt verdeling middelen voor ondersteuningsnetwerken

“Zorg dat middelen terecht komen bij kinderen en leerkrachten voor wie ze bedoeld zijn.” Dat is de oproep die Raymonda Verdyck, de topvrouw van GO!, het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap lanceert, nadat deze week commotie was ontstaan over de organisatie van de ondersteunigsnetwerken. In dergelijke ondersteuningsnetwerken brengen scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs expertise samen om leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en de leraren die met hen werken, te ondersteunen. Lieven Boeve, directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, betreurde maandag in een nieuwsbrief dat individuele katholieke scholen wel nog tot een ondersteuningsnetwerk van het officieel onderwijs kunnen toetreden, maar dat het omgekeerde niet meer kan, nadat gecommuniceerd werd naar officiële scholen dat ze alleen nog onderling zouden samenwerken.
Raymonda Verdyck, afgevaardigd bestuurder van GO!, betreurt tegenover Belga dat “de discussie helaas ook deze keer over de structuren en de netwerken gaat, en niet over de kinderen voor wie de middelen bestemd zijn.”
“De Vlaamse overheid besloot om de middelen in een 70/30-verhouding te verdelen”, legt Verdyck uit. “70 procent van de middelen wordt toegekend op basis van absolute leerlingenaantallen en 30 procent op basis van het aantal leerlingen met specifieke zorgbehoeften. Wie dus het grootste is, krijgt het meest.” Dat vindt de topvrouw van GO! geen goede regeling. “Als je ervan uitgaat dat de voorziene middelen moeten gaan naar de kinderen voor wie ze bedoeld zijn, dan betekent dit dat niet 30 maar 100 procent moet gaan naar concrete zorgbehoeften en naar de plaatsen waar die behoeften zich stellen.”
Ander punt dat Verdyck wil maken, gaat over de “vrijheid van onderwijs”. “Wat wij als GO! doen is kijken hoe we vanuit de noden van de kinderen en hun leerkrachten de krachten best kunnen bundelen met andere onderwijsverstrekkers. Vanuit het eigen pedagogische project en de pedagogische vrijheid is samenwerking binnen het officieel onderwijs meer voor de hand liggend”, zegt Verdyck, die er nog aan toevoegt dat het ook voor de betrokken leerkrachten een schizofrene situatie zou opleveren, “als hij de ene dag werkt in een schoolverband dat gegrondvest is op neutraliteit en diversiteit, en de andere dag werkt in een systeem van katholieke dialoogschool die uitgaat vanuit één preferentieel levensbeschouwelijk kader.”

bron: Belga