Aantal Molenbeekse jongeren met radicaal discours stijgt

Aantal Molenbeekse jongeren met radicaal discours stijgt

Het aantal jongeren in Molenbeek dat zich aangetrokken voelt door een radicaal discours stijgt nog steeds. Dat heeft Molenbeeks deradicaliseringsambtenaar Olivier Vanderhaegen maandag gezegd in de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart. Zelfs al vertrekken er nog nauwelijks jongeren naar IS-gebied, toch groeit de “kritische massa” die een radicaal discours aanhangt. Het gaat dan niet zozeer om potentiële terreurstrijders, maar om jongeren die nergens op de radar zitten en die weten hoe ze door de mazen van het net moeten glippen. Niet zelden gaat het om jongeren die betrokken zijn bij drugshandel of andere criminele feiten.

Er zijn ook nog steeds ronselaars actief op het grondgebied van de Brusselse gemeente, bevestigde Vanderhaegen. Die info is bijvoorbeeld door families aan de politie doorgespeeld en de onderzoeken zijn lopende.
De Molenbeekse deradicaliseringsambtenaar waarschuwde voorts om niet alles in te zetten op een religieus tegendiscours. “Een religieus tegendiscours werkt niet op het moment dat iemand op het punt staat om naar Syrië te vertrekken”, aldus Vanderhaegen.

Niet zelden zijn jongeren vooral op zoek naar een identiteit. “Religie komt dan als een identitaire prothese”, verduidelijkte de deradicaliseringsambtenaar. In hun zoektocht kunnen jongeren vaak niet terecht in moskeeën, omdat zij geen Arabisch kennen en de imams vaak te weinig Frans. Bovendien hebben de imams vaak geen voeling met de leefwereld van jongeren, terwijl ronselaars en haatpredikers daar wel gretig op inspelen.

Vanderhaegen beklemtoonde tot slot meermaals de sociaaleconomische situatie van de betrokken jongeren en de torenhoge werkloosheidscijfers in Molenbeek. Hij brak dan ook een lans voor een soort ‘Marshallplan’ voor Brussel.
Zijn Vilvoordse en Mechelse collega’s, Jessika Soors en Alexander Van Leuven, drongen daarnaast aan op meer structurele ondersteuning. Nu verdoen ze veel tijd met de zoektocht naar projectsubsidies, die bovendien slechts tijdelijk financiering leveren en dus weinig zekerheid bieden voor het aanwerven of behouden van goed personeel. Tegelijk hopen ze op een vlottere informatieuitwisseling over personen op hun grondgebied en op meer overleg en coördinatie onderling.

bron: Belga