Antoine Fuqua brengt kleur in de western met ‘The Magnificent Seven’

Wie zegt dat cowboys blank moeten zijn? In ‘The Magnificent Seven’, een remake van de gelijknamige westernklassieker uit 1960, zet regisseur Antoine Fuqua zijn goeie vriend Denzel Washington op een paard. “Ik wilde de western moderniseren met een diverse cast. En zonder 400 keer het woord ‘nigga’ te gebruiken, zoals Tarantino.”

Denzel Washington als cowboy: hoe is dat idee ontstaan?



Antoine Fuqua: “Toen ik aan deze film begon, wist ik meteen dat ik iets nodig zou hebben om er een echt evenement van te maken. Dit verhaal was namelijk al twee keer op fantastische wijze verteld (het oorspronkelijke ‘The Magnificent Seven’ (1960) was gebaseerd op Akira Kurosawa’s ‘Seven Samurai’ (1954), red.). Dus toen ik met de studio bijeenkwam om de cast te bespreken, zei ik: ‘Denzel, als cowboy, op een paard…’ Er viel een gespannen stilte in de kamer. ‘Dat gaat hij nooit doen’, zei iemand. Maar ik ben meteen naar New York gevlogen om Denzel te overhalen, en hij zei ja!”

De traditie wil dat de helden in westerns blank zijn. Dat moest maar eens gedaan zijn, vond u?

“Ja. Altijd weer die blanke cowboys, dat gaat vervelen. Het wordt tijd voor wat verruiming. Bovendien is het ook gewoon historisch correct om zwarte cowboys te tonen. Er liepen destijds mensen van alle kleuren rond. Alleen zie je die diversiteit niet weerspiegeld in de klassieke westerns. Hollywood heeft het Wilde Westen witgewassen, omdat de vooroordelen van die tijd het zo wilden. Maar alles verandert, en westerns dus ook. Het leek me niet meer dan logisch om vandaag een diverser beeld van het Wilde Westen te tonen.”

Quentin Tarantino voerde ook al zwarte cowboys op in ‘Django Unchained’ en ‘The Hateful Eight’. Maar was u blij met de manier waarop?

“Kijk, Quentin en ik zijn goeie vrienden. Maar laat ik het zo zeggen: ik voel niet de behoefte om een western te maken waarin vierhonderd keer het woord ‘neger’ valt. Als Quentin dat wel nodig vindt, dan ben ik daar niet boos om. Het is zijn film. Maar ik doe het niet.”

Voelt u zich beledigd wanneer Tarantino zo losjes omspringt met dat woord?

“Nee, ik zou er pas door beledigd zijn als hij mij zo noemt. (lacht) Kijk, dat is de schoonheid van films maken: je mag doen en zeggen wat je wil. En dan is het aan het publiek om daar aanstoot aan te nemen of niet.”

Bent u altijd fan geweest van het westerngenre?

“Ja. Als kind had ik twee dromen: ofwel een western draaien, ofwel cowboy worden. En dat laatste is niet gelukt, dus… (lacht) Zoals de meeste kinderen speelde ik graag cowboy en indiaantje, en ik bekeek ook heel veel westerns – met dank aan mijn oma, die geen enkele aflevering van ‘Bonanza’ miste, en elke avond wel naar een of andere western zat te kijken. Ik zat dan naast haar, tot een gat in de nacht. Dat gevoel van kinderlijke verwondering heb ik willen vasthouden terwijl ik deze film maakte. Ik heb geprobeerd om me te verplaatsen in het hoofd van mijn 12-jarige ik, en me te herinneren wat me deed glimlachen als ik vroeger naar ‘The Magnificent Seven’ keek. Want daarvoor komen de mensen uiteindelijk: om de gevoelens van toen te herbeleven.”

U hebt uw western-droom nu eindelijk waargemaakt: was het even leuk als u gehoopt had?

“Heerlijk, maar wel extreem warm. (lacht) We hebben gedraaid in Louisiana en in New Mexico, en de temperaturen op de set klommen geregeld boven de 40 graden. Vreselijk. De acteurs konden tussen de takes door nog even verkoeling zoeken in hun trailer, maar ik zat gewoon de hele dag in een bloedhete tent achter mijn monitor, badend in het zweet. En dan waren er nog de hevige regenbuien die de set plots helemaal onder water zetten, de blikseminslagen, de tornado’s, enzovoort. Het was echt hardcore. Ik heb nog veel meer respect gekregen voor regisseurs als David Lean, die hun epossen ook in dit soort omgeving opnamen. Of als ik denk aan de omstandigheden waarin ‘Apocalypse Now’ werd gedraaid… Niet moeilijk dat Martin Sheen een hartaanval kreeg op de set!” (lacht)

Lieven Trio

@l_trio