Test:Hoe snel doorzie je de vraag ?

Hoe logisch redeneer je? Deze test vertelt het je. grappig is dat je geen rekenwonder moet zijn om de vraagstukken op te lossen. We drijven de spanning op door onze chrono in te stellen. Voor deze tien opdrachten heb je drie minuten tijd. Klaar… start!

  1. Als we de letters van het alfabet nummeren van 0 tot en met 25, hoe groot is hun product dan?
  2. De afstand die een ingenieur met de auto naar het werk aflegt, is 14 kilometer. Hoeveel kilometer rijdt zij per week bij een vijfdaagse werkweek naar en van het werk, als er nooit omleidingen zijn?
  3. Een boer heeft 34 koeien. Alle behalve zeven sterven. Hoeveel koeien blijven er over?
  4. Een trein vertrekt om 9u13 uit A en komt om 11u04 aan in B. Hoe lang is hij onderweg als hij 140 km per uur rijdt?
  5. Zoals je weet is het aantal dagen van de maanden niet gelijk. Zo heeft maart 31 dagen en april maar 30 dagen. Hoeveel maanden tellen 28 dagen?
  6. Rails bestaan uit stukken. Elk stuk moet 25 meter lang zijn. Op een dag wordt een enkelsporig spoorwegtraject van 300 meter vervangen. Hoeveel stukken rails zijn er nodig?
  7. Hoeveel bougies heeft een dieselmotor van een personenauto met zes cilinders, 1800 cm3 cilinderinhoud en 90 PK vermogen?
  8. Vader is 50 jaar. Zijn zoon is 3 jaar jonger dan de helft van de leeftijd van zijn vader. De vriendin van de zoon is 2 jaar jonger dan de zoon van de vader. De moeder van de vriendin is 5 jaar ouder dan 2 maal de leeftijd van haar dochter. De man van de moeder van de vriendin van de zoon is 2 jaar ouder dan de eerstgenoemde vader. Hoe oud is de vader van de vriendin?
  9. Een vijver heeft een wateroppervlak van 2049 m2. Men plant een waterlelie die zeer snel groeit, waardoor de oppervlakte die door de bladeren wordt bedekt, dagelijks verdubbelt. Na 48 dagen is het wateroppervlak helemaal door de bladeren van de waterlelie bedekt. Op de hoeveelste dag was het wateroppervlak voor de helft bedekt?
  10. Een klant moet 47,50 euro betalen en geeft de kassier een biljet van 100 euro. De kassier kijkt vertwijfeld in de kassa en vraagt de klant of hij geen biljet van 50 euro heeft. Waarom?

 



 


Antwoorden : 

1) 0
2) 140
3) 7
4) 1 uur 51min
5) allemaal
6) 24
7) geen
8) 52 jaar
9) 47ste dag
10) de kassier heeft geen biljetten van 50 euro of kleiner

 

Bron: Praktijkboek Psychologische test. Voorbereidende oefeningen. John Wiering,
Uitgeverij Elmar, ISBN 9789038924991, 17,95 euro.