Metro sprak met Marnix Peeters: “We worden alsmaar teerhartiger”

Oscar van Beuseghem, de koning van het verwijt en de vernedering, is terug. In ‘Kijk niet zo, Konijntje’ laat Marnix Peeters zijn meest onhebbelijke personage opnieuw los op de kneuterige goegemeente. Maar kijk voorbij het sarcastische getier en racisme en je zal ontdekken dat erachter een karikatuur van onszelf schuilgaat.

Net zoals de wereldvisies van zijn personages, zijn de reacties op de romans van Marnix Peeters afwisselend fulminerend zwart of in de hemel prijzend wit. Een apathische middenweg is er zelden of nooit. Hoe zijn maatschappijkritisch gevloek, geneuk en geweld je ook doet voelen, het valt niet te ontkennen dat je het werk leest van iemand die kinderlijk veel plezier beleeft aan wat hij doet.

“Iets te kunnen bedenken dat hélemaal van mij is, is een onvoorstelbaar genot. Van alle acht miljard mensen op aarde is er maar eentje die weet wat er in mijn volgende roman zal gebeuren, eentje die aan het stuur zit, die zijn gang mag gaan met al die feiten en gebeurtenissen, die zijn verbeelding er mag op botvieren. Dat is voor mij het allergrootste plezier.”

Heb je Oscar van Beuseghem dan voor je eigen plezier opnieuw tot leven gewekt?

“Ik merkte vaak dat Oscar commentaar bleef geven op de dingen die ik zag en meemaakte. Ook omdat hij alsmaar relevanter is geworden, in deze tijden waarin steeds minder mensen een blad voor de mond nemen, maar daarbij de klasse en de waardigheid uit het oog verliezen. En als er iets is waar het Oscar niet aan ontbreekt, is het klasse en welbespraaktheid.”

“Hij is zo’n duiveltje dat in ieder van ons verscholen zit — je ziet een hele dikke vrouw op een bank in een hele grote hamburger happen, en je denkt: nou mevrouw. Duw er nog één bij. Oscar spreekt luidop uit wat wij in geen duizend jaar zouden dùrven uitspreken, van onder onze laag beschaving en opvoeding, en dat maakt hem zo aantrekkelijk.”

“‘Kijk niet zo, konijntje’ is geen boek voor wussies”

En het ontbreekt hem duidelijk ook nog steeds niet aan haat en frustratie.

“Je zou Oscars discours oppervlakkig kunnen lezen, en het dan catalogeren onder vrijblijvend scheldproza, maar dat is het niet. Het zit tjokvol maatschappijkritiek — kritiek op onze arrogantie, onze betweterigheid, ons superioriteitsdenken, onze verwendheid, onze zwart-witmentaliteit — alleen: ik kan al die dingen onmogelijk in een zogezegd ernstig pamflet verpakken, zonder dat ik er zelf ambetant van word. Ik moét dat met humor doen.”

Zoek je daarom bewust de grens van het politiek correcte op?

“Bewust is het niet, maar ik heb wel lak aan politieke correctheid. We zijn jarenlang méér bezig geweest met politiek correct, dan met het erkennen en aanpakken van problemen. We worden almaar teerhartiger. In het buitenland noemen ze me ‘farang’ of ‘gringo’ – en dat zijn geen koosnaampjes, geloof me. Ze staan proestend naar mijn onbehaarde hoofd te wijzen. Ze roepen hun neven en nichten erbij, en die beginnen ook te proesten en ‘Farang no hair!’ te roepen. Zullen we daar in Thailand eens snel een wet over gaan doordrukken? Kom, allemaal terug braaf in de rij.”

Hoeveel procent van Oscar haal je dan uit jezelf?

“Twintig procent? Een zeer goed in bedwang gehouden twintig procent. Alles zit in ons. Alles wat mooi en lelijk is, alles wat schitterend is en weerzinwekkend. Wij zijn tot alles in staat, er moet maar een adertje knappen of een chemisch evenwicht verstoord geraken, en wij zitten niet meer aan het stuur van ons eigen vehikel. Vorig jaar is de man van een familielid van me door allerlei omstandigheden helemaal omgeslagen — van de fijne, rustige, liefhebbende echtgenoot is hij verworden tot een wispelturige, lastige man. Je weet het niet. Je kunt het nooit weten.”

Maar, voor alle duidelijkheid, ‘Kijk zo niet, konijntje’ is geen vervolg op ‘Natte Dozen’?

“Neen. Het is een nieuw, op zichzelf staand boek met hetzelfde personage in de hoofdrol. Dat was een zeer moeilijke technische oefening die enorm veel tijd en zweet heeft gekost — het was heel belangrijk dat het boek zelfstandig kan worden gelezen, en ik heb de halve redactie van mijn uitgeverij Prometheus aan tests onderworpen, om na te gaan of ze bij het boek het gevoel kregen dat ze bepaalde verwijzingen naar vroeger niet begrepen. Dat was niet het geval.”

Door hetzelfde hoofdpersonage te gebruiken, rakel je wel de historie van de censuur van ‘Natte Dozen’ opnieuw op.

“Als ‘N***e dozen’, ja, nog altijd is dat een onverklaarde en wat mij betreft onbegrijpelijke zaak. Wat daarin beschreven staat, komt nog niet tot aan de enkels van de vreselijkheden die er elke dag in het echt gebeuren in Aleppo en Oost-Congo. Zaken die schijnbaar niet hoeven gecensureerd te worden, hoewel ze échte mensen treffen. Blijkbaar vonden veel lezers ‘Natte dozen’ een gevaarlijk boek — en in dat opzicht kun je dat net zo goed van ‘Kijk niet zo, konijntje’ zeggen: het is een lekker gevaarlijk boek. Niks voor woezies.”

Is die ongenuanceerde blik op de wereld een resultaat van je ervaringen als journalist?

“Je leert als journalist along the way ontzettend veel over de condition humaine. Allicht heb ik alle zonderlingen die ik in mijn boeken opvoer ooit wel eens in een of andere vorm ontmoet, in het echt. Ik heb gezien hoe het er in Pattaya aan toe gaat — het Thaise paradijs van het sekstoerisme — en die realiteit zat, weliswaar in hyperbolen verpakt, helemaal in ‘Niemand hield van Billie Vuist’.”

“Ik heb ook ontzettend veel geleerd. Bij het kleinste stuk dat je schrijft leer je er op letten dat het goed opgebouwd moet zijn, dat je met het juiste begint, dat er een spanningsboogje in moet zitten, dat het meeslepend mag zijn. Je wordt vanzelf een verteller doordat je het elke dag opnieuw, zonder er echt bij stil te staan, doet.”

De keuze om je positie als gevestigd journalist in te ruilen voor het onzekere statuut van een auteur moet niet makkelijk geweest zijn.

“Het is niet voor iedereen weggelegd, maar veel meer mensen zouden het kùnnen, als ze andere keuzes zouden maken, als ze zich niet zo zouden laten verleiden tot nòg grotere huizen, nòg blinkendere auto’s en nòg verdere vakantiereizen. Zodat je een paar jaar later, als je je job beu bent en snakt naar iets anders, niet met handen en voeten aan die smerige afbetaling gebonden blijft en je de slaaf wordt van een apparaat. Je kunt het best met véél minder doen, dat geeft je oneindig veel meer vrijheid, en het is van vrijheid dat je werkelijk gelukkig wordt.”

Xavier Vuylsteke de Laps

Foto WPG / Charlie De Keersmaecker