Voorgeproefd – Een klein leven

Ontdek een voorpublicatie van ‘Een klein leven’

JB was degene die besloot dat Willem en Jude een oudejaarsfeest moesten geven. Die beslissing werd genomen met Kerst, een feest dat zelf uit drie onderdelen bestond: Kerstavond werd gevierd bij JB’s moeder in Fort Greene, en het diner op Kerst zelf (een formele gelegenheid, waarbij pakken en dassen verplicht waren) was bij Malcolm thuis en werd voorafgegaan door een informele lunch bij JB’s tantes. Dat was hun vaste ritueel – en vier jaar geleden hadden ze Thanksgiving Day aan het rijtje toegevoegd, dat ze vierden bij Judes vrienden Harold en Julia in Cambridge – maar Oudejaarsavond was nooit aan iemand toegewezen. Vorig jaar, de eerste keer na hun studie dat ze de jaarwisseling alle vier in dezelfde stad hadden doorgebracht, waren ze uiteindelijk allemaal afzonderlijk ongelukkig

geweest – JB was blijven hangen op een waardeloos feest bij Ezra, Malcolm kon niet onder een diner bij vrienden van zijn ouders uit, Willem was door Findlay gestrikt om bij Ortolan te werken en Jude lag met griep onder de wol in Lispenard Street – en toen hadden ze zich voorgenomen om voor het jaar erna iets te plannen. Maar dat hadden ze steeds voor zich uit geschoven, en toen was het opeens december en hadden ze nog steeds niets bedacht.



Daarom vonden ze het niet erg dat JB het besluit voor hen nam, deze keer niet. Ze dachten dat er ruimte genoeg was voor vijfentwintig gasten, en met een beetje proppen voor veertig. ‘Doe er dan maar veertig,’ zei JB prompt, zoals ze al hadden verwacht, maar toen ze later thuis waren maakten ze een lijst met maar twintig namen erop, alleen vrienden van henzelf en Malcolm, omdat ze wisten dat JB meer mensen zou uitnodigen dan het aantal dat hem toekwam en dat hij niet alleen vrienden zou

vragen maar ook vrienden van vrienden en eerder-kennissen-dan-vrienden en collega’s en barkeepers en winkelbedienden, totdat de mensen zo dicht opeengepakt stonden dat de mist van warmte en rook die zich onvermijdelijk zou vormen zich zelfs niet zou laten verdrijven als ze alle ramen openzetten en de nachtlucht binnenlieten.

‘Maak er niet te veel werk van,’ had JB ook nog gezegd, maar Willem en Malcolm wisten dat die opmerking alleen voor Jude bedoeld was, omdat die de neiging had om alles ingewikkelder te maken dan nodig was, om avondenlang bezig te zijn met het maken van grote hoeveelheden kaassoesjes terwijl iedereen tevreden zou zijn geweest met pizza, en om het appartement van tevoren grondig schoon te maken, alsof het iemand iets kon schelen dat er wat zand onder je schoenen knerste en er

opgedroogde zeepvlekken en restjes van het ontbijt van de afgelopen dagen in de gootsteen waren achtergebleven.

De avond voor het feest was het warm voor de tijd van het jaar, zo warm dat Willem de drie kilometer van Ortolan naar huis ging lopen, en toen hij thuiskwam was de zware, boterachtige geur van kaas en beslag en venkel zo sterk dat hij het gevoel had nog op zijn werk te zijn.

Hij bleef een tijdje in de keuken staan, trok met snelle bewegingen de opgezwollen kwakjes deeg los van hun koelroosters om te zorgen dat ze er niet aan vast bleven kleven, keek naar de stapel plastic dozen vol zandkoekjes met kruiden en gemberkoekjes van maismeel, en werd een beetje droevig – dezelfde droefheid die hij voelde toen hij merkte dat Jude toch had schoongemaakt – omdat hij wist dat ze gedachteloos in één hap zouden worden verorberd en weggespoeld met een slok bier, en dat Jude en hij aan het begin van het nieuwe jaar overal kruimels van die prachtige koekjes zouden vinden, verpulverd en in de tegels getrapt.

Toen hij in de slaapkamer kwam, zag hij dat Jude al sliep en het raam op een kiertje had gezet. Door de zachte atmosfeer droomde Willem van de lente, van bomen vol donzige gele bloemen en een zwerm troepialen met glanzend gelakte vleugels, die geruisloos langs een zeekleurige

hemel gleed.

Maar toen hij wakker werd was het weer omgeslagen, en het duurde even voordat hij besefte dat hij het koud had gehad, dat de geluiden in zijn droom die van de wind waren geweest en dat hij wakker werd geschud en zijn naam hoorde zeggen, niet door vogels maar door een mens:

‘Willem, Willem.’

Hij draaide zich om en kwam op zijn ellebogen overeind, maar het beeld van Jude drong alleen in onderdelen tot hem door: eerst zijn gezicht en daarna pas het feit dat hij zijn linkerarm met zijn rechterhand omklemde en dat hij er iets omheen had gewikkeld wat in het donker zo wit was dat het zelf wel een lichtbron leek – zijn handdoek, bedacht hij – en hij staarde er gebiologeerd naar.

‘Willem, het spijt me,’ zei Jude, en zijn stem klonk zo kalm dat Willem een paar seconden lang dacht dat hij droomde en ophield met luisteren, zodat Jude zijn woorden moest herhalen. ‘Er is een ongelukje gebeurd, Willem, het spijt me. Je moet me naar Andy brengen.’

Hanya Yanagihara, Een klein leven

voorgeproefd_FACEBOOK_kleinleven