Vertical Farming wil natuur in de stad brengen

Vertical farming, waarbij je gewassen kweekt in de hoogte en een stedelijke context, wordt herontdekt. Een aantal mensen zag licht in deze technologie en richtte de Association for Vertical Farming op. Zien we binnenkort ook in Vlaamse steden gebouwen transformeren in boerderijtorens?

Voedsel kweken, consumeren, leven of omgaan met elkaar… Het kan anders. Vertical Farming is een van de initiatieven die de levenswijze van onze samenleving ter discussie stelt. De Association for Vertical Farming (AVF) is een internationale non-profitorganisatie en wordt gedragen door vrijwilligers.  Zjef Van Acker uit Gent, een van de medeoprichters, legt uit hoe verticale landbouw voor een ommekeer kan zorgen.



Welke vormen van VF bestaan er?

 Ten eerste zijn er de plantfactories (het telen van seizoensgroenten, maar dan het hele jaar door, door de omgevingsfactoren zoals licht, luchtvochtigheid, tempartuur, enzovoort te controleren, red.). Er is ook het kweken van paddenstoelen, algen en insecten. Westerlingen zijn de enigen die stopten met het eten van insecten, maar dat wordt nu stilaan geherintroduceerd. Het is een proces van lange adem, maar heeft grote voordelen want insecten hebben weinig licht en ruimte nodig. Sommige soorten, zoals meelwormen, zijn makkelijk te kweken. Je geeft je kolonie meelwormen jouw afval te eten en na drie tot vier maanden zijn ze klaar voor je bord. Zo weet je meteen wat je eet. Maar VF heeft veel nog veel meer te bieden.

Kan elke plant verticaal gekweekt worden?

Dat kan. De vraag is vooral: is het zinvol? Het gaat over vrij kleine oppervlakten dus maïs en granen blijven best op hun vertrouwde horizontale velden. Voor bomen geldt hetzelfde. Salade, verschillende kruiden en andere kleine gewassen daarentegen zijn ideaal. Hopelijk heeft iedereen in de toekomst een DIY verticaal farmpje in de keuken.

Hoe kwam VF in jouw leven terecht?

Ik las een artikel over het boek ‘The Vertical Farm: Feeding the World in the 21st Century van Dickson Despommier, een beetje de vader van het huidige VF-discours. Ik zag mogelijkheden in deze theorie en zocht naar gelijkgestemden. Ik klopte aan bij bedrijven die bezig waren met vertical farming en bood mij aan als nieuwe werkkracht. In 2012 studeerde ik af als bio-ingenieur en was klaar om mijn eigen VF-constructie te bouwen. Tijdens een conferentie over Urban Agriculture kwam ik in contact met een Zwitser. Nadien reisde ik meteen door naar Zwitserland om er een VF-bedrijf op te richten.

En nu maak je deel uit van de Association for Vertical Farming. Hoe verloopt de samenwerking in zo’n internationale organisatie?

Eén keer per jaar komen we samen tijdens de AVF-top. Vorig jaar hielden we de eerste top in Beijing en dit jaar wordt Amsterdam van 13 tot 16 juni het mekka van vertical farming.

We willen vertical farming volledig duurzaam maken en zullen daarom focussen op circulaire economie. Een van de aspecten van circulaire economie is dat reststoffen opnieuw kunnen worden ingezet en dat de energie afkomstig is van herbruikbare bronnen zoals zon en wind. Lineaire economie die werkt met uitputbare grondstoffen staat daar tegenover.

Klinkt veelbelovend maar is een volledig circulaire economie vandaag mogelijk?

We zitten vastgeroest in een economisch systeem dat een volledige circulaire economie niet mogelijk maakt. De huidige wetgeving maakt het moeilijk om reststoffen opnieuw in de voedselkringloop te brengen. Wetten worden ingevoerd met een reden maar de maatschappij evolueert en daar mag men niet blind voor zijn. Het huidige systeem is niet duurzaam en het ziet ernaar uit dat het op een bepaald moment tot ontploffing zal komen. Daarom moet er dringend gezocht worden naar andere manieren van omgaan met onze wereld.

Natuurlijk is er geen enkele oplossing die de waarheid in pacht heeft. Verschillende ideeën en denkwijzen zijn nodig. Andere duurzame landbouwtechnieken zijn permacultuur of successielandbouw.

Zijn er al bedrijven die werken volgens het principe van circulaire economie?

Er bestaan gelukkig al veel projecten, in het slachthuis van Anderlecht bijvoorbeeld, waar ik aan meewerk. Dit jaar zal het project Building Integrated Greenhouses (BIG) van start gaan. Op het dak van de voedingshal Foodmet wordt een Urban Farm gemaakt op basis van Aquaponie. Het kweken van vissen, groenten en fruit wordt met elkaar gecombineerd. Bovendien wordt de energie van de koelkasten in de hal hergebruikt voor de Aquaponie op het dak. Ook regenwater en zonne-energie dienen als energiebronnen.

Een ander Brussels project is Permafungi. Paddenstoelen zijn natuurlijke afvalverwerkers en hebben geen licht nodig om te groeien. Daarom kan men ze op veel plaatsen gemakkelijk telen, ook in de stad.

In Gent vind je Urban Smartfarm in Gent. Ze maken gebruik van containers om kruiden, groenten, vissen en schaaldieren op een duurzame manier te kweken in de stad.

Denk je dat het draagvlak groot genoeg is? En is het makkelijk om ermee te beginnen?

Het is een onderdeel van de huidige tijdsgeest en trekt veel jongeren aan. We hebben een generatie die zich constant de vraag stelt wat er met de toekomst moet gebeuren. Die ideeën zijn daarin een verademing: er zijn wel degelijk alternatieven.

Maar VF is ook een technologie. Het is niet alleen een project van enkele groene jongens, maar wekt ook interesse bij grote bedrijven en multinationals die er de voordelen van inzien. Maar de academische wereld loopt nog achter. In de opleiding bio-ingenieur wordt maar kort over VF gesproken. Dat is jammer want om aan VF te doen heb je zowel een groot budget als specifieke kennis nodig.

Wat hoop jij te bereiken met VF?

Ik hoop mensen te enthousiasmeren voor dit idee. De mens is vervreemd van de natuur en kinderen weten vaak niet meer waar een ei vandaan komt. Dat baart me zorgen. Via VF de natuur in de stad brengen, zorgt ervoor dat mensen opnieuw voeling krijgen met hun voeding. Planten, insecten en andere organismen bestaan al langer dan de mens en dat vergeten we soms. Ik wil weer een ecosysteem waarin mens en natuur hand in hand gaan.

Tekst door Flore De Pauw, illustratie door Chris Vandeurzen
Deze tekst verscheen eerder bij C.H.I.P.S StampMedia