Voorgeproefd – Slapen op Jupiter

Die middag stond Nomi bij het stalletje van Johnny Toppo thee te drinken. Er waren nog geen andere klanten, daar was het te vroeg voor. Die zouden pas komen als de zon de golven veranderde in het gesmolten koper waar hij zijn ogen niet van kon afhouden, hoewel hij het elke dag zag.

Nomi vroeg hem in hakkelend Hindi: ‘Wat is dat voor liedje dat u net zong? Daar word ik heel treurig van.’

Johnny Toppo nam het meisje van hoofd tot voeten op: jong, mager, met gekleurde draden in haar haar, ringetjes in haar oren – uiterlijk net een van die uitgehongerde hippies die naar oud zweet stonken, maar deze rook fris en schoon. Een van haar armen was bedekt met fijn, glanzend zand en er hing een groot fototoestel om haar nek.

‘Je voelt je treurig door een lied als je al treurig bent, je ogen worden vochtig als er al tranen in staan. Waarom zou een meisje als u treurig zijn?’ Hij grijnsde naar haar, en zijn mond leek op het toetsenbord van een piano, een afwisseling van zwarte gaten en witte tanden. ‘Moet je mij zien, geen tanden, krakende knieën, een kromme rug. Ik zou treurig moeten zijn. Maar ik kan de hele dag wel zingen.’

‘Ik zoek mijn moeder. Ze is hier ergens. Ik ben haar aan zee kwijtgeraakt. Deze zee, geloof ik. Deze zee.’

‘Wat? Harder. Ik ben oud, mijn oren zitten vol water.’

‘Ik zei dat ik nog een kop thee wilde. Net als de vorige, met gember en kruidnagel.’

Ze ging op het zand zitten en begon te prutsen aan de lens van haar camera. Ze richtte hem op mensen die aan het pootjebaden waren in het schuim. Ze speurde hun gezichten af door haar telelens. Ze wist niet wie of wat ze hoopte te vinden. Sinds ze de vorige dag was aangekomen leek alles zo vertrouwd en zo vreemd dat ze haar herinneringen niet kon onderscheiden van haar fantasieën. Net als toen ze in Noorwegen eens was verdwaald in een berkenbos, waarna ze geprobeerd had de weg terug te vinden door paden op te lopen die juist leken tot ze na een heel eind lopen besefte dat ze verkeerd ging. Waarop ze weer terug had gemoeten.

Johnny Toppo schonk water in zijn aluminium pan en stampte daarna wat gember en een halve kruidnagel fijn in zijn stenen vijzel. Hij kon het zich niet meer veroorloven er een hele kruidnagel in te doen. Hij schraapte de inhoud van de vijzel in de pan. Toen de thee klaar was, liep hij naar de plek waar ze zat en gaf haar het kopje. ‘De zon is nog fel. Als u een parasol wilt om onder te zitten kan ik u er een geven, maar vijf roepie,’ zei hij. Ze vroeg zich af waar ze die stem eerder had gehoord. Kon het… nee, dat kon natuurlijk niet.

Naarmate de hitte afnam, begon het drukker te worden op het strand. Suraj verscheen, gezichtsloos achter zijn zonnebril, dwaalde rond op zoek naar een geschikte plek, koos een omgekeerde boot. Hij ging erop zitten, haalde iets uit zijn zak – een stukje hout, zag ze door haar cameralens – en hij begon er met een mes in te kerven. Ze zat hem een tijdje op te nemen. Het blokje was heel klein en zijn bewegingen met het mes waren nauwkeurig en beheerst. Hij zat tijden voor zich uit te staren naar de horizon, ging dan weer verder met zijn werk. Door zijn frons, zijn zwarte t-shirt met de draak en zijn stoppelbaard schrok hij verkopers van schelpen en kralen af. Ze lieten hem met rust, klitten liever met de hardnekkigheid van bromvliegen aan het meisje met vlechtjes in haar haar. Nomi negeerde haar luidruchtige achtervolgers en begon over het strand te kuieren, hief haar camera af en toe op om foto’s te maken en bleef soms staan met een taxerende blik die een boog beschreef over de kust. Ze ging terug naar het theestalletje alsof dat haar nieuwe huis was, volgde de geur van kruidnagel, gember en petroleum, en het geluid van de knarsende stem van de oude man. Hij ging inmiddels helemaal op in zijn werk, zag niets anders dan mogelijke klanten. Ze ging met een rechte rug in de schaduw van haar zojuist verworven parasol zitten om te luisteren.

 

Mijn lemen huisje is oud als de tijd,

Ligt op een heuvel met granaatappelbomen,

Zoete limoen groeide daar in het dal,

En velden malse groene erwten.

 

Hij pompte meer brandstof in zijn petroleumstel, glimlachte, onderbrak zijn lied soms om uit te roepen: ‘Cha! Chaaii!

Nomi deed haar ogen stijf dicht wanneer hij zong. Het was ondraaglijk. Ze wilde dat hij ophield met zingen. Tegelijkertijd wilde ze dat hij ditzelfde liedje eeuwig bleef zingen. Ze zouden in een hut wonen en kippen en varkens hebben en zoete aardappels en bananen verbouwen en in het beekje in de buurt spelen, had ze beloofd. Piku fleurde altijd op wanneer ze over de hut begon te praten, dus had Nomi er elke dag meer details aan toegevoegd: nieuwe planten, nieuwe dieren, nieuwe dingen die ze zouden doen. Dat was het spel: samen dromen. Als het licht uitging, kroop Piku de slaapzaal door en nestelde ze zich tegen haar aan in haar smalle bed. Nomi sliep, getroost door het besef van haar ademhaling, haar bewegingen in de nacht. ’s Morgens vroeg was ze altijd verdwenen.

voorgeproefd_FACEBOOK_SlapenOpJupiter