Voorgeproefd – Ach deze leegte, deze verschrikkelijke leegte

Ach deze leegte, deze verschrikkelijke leegte

Nooit aten mijn grootouders hun avondmaaltijd aan de eettafel. Altijd werden de borden en schaaltjes vol heerlijkheden, die de huishoudster in de namiddag reeds had voorbereid, op het gewelfde marmeren blad van de salontafel neergezet. Ook bij het avondeten speelde mijn grootvader weer de wijnkenner, hoewel ze al die jaren altijd dezelfde twee wijnen dronken. Sangre de toro of merlot. En dan werd er geconverseerd. Converseren bij de rode wijn was voor mijn grootouders het mooiste wat er was. Deze gesprekken waren heel bijzonder. Wanneer ze de juiste staat van dronkenschap en levendigheid hadden bereikt, kwamen ze pas echt goed op stoom.

We praatten over boeken, toneel en grote thema’s als vrijheid. Mijn grootvader had veel geschreven over het begrip ‘vrijheid’ en af en toe deed hij zelfs een poging om ons in eenvoudige bewoordingen bij zijn gedachtegangen te betrekken.

Mijn grootmoeder reciteerde haar lievelingsdichters, altijd weer Paul Celan, Nelly Sachs of Matthias Claudius. Uiteraard uit haar hoofd. ‘Zeg Inge, wees zo goed en zou je Claudius willen voordragen?’ Hij keek haar liefdevol aan, verlangde heel beleefd, als een schutterige bewonderaar, naar haar kunst. Maar zij liet zich graag overhalen. ‘Lieve help, nee, geen haar op mijn hoofd. Dat kan ik toch allang niet meer!’ ‘Alsjeblieft Inge, je doet dat zo prachtig.’ ‘Moooahhhhh, jullie willen altijd veel te veel van me.’ ‘Als je niet wilt, dan niet natuurlijk. Niemand wordt tot Claudius gedwongen.’ ‘Goeie genade, nou goed dan.’ Het was niet alleen

mooi om te zien hoe ze reciteerde, maar ook dat ze niets aan haar houding veranderde. Ze bleef ontspannen achterovergeleund in haar stoel zitten, links met haar sigarettenpijpje, rechts met haar glas wijn zwaaiend: ‘De mens.’ Lange pauze. Ze nam een trekje van haar sigaret. Dat was al raak. Kort gezegd: sterk. Geen misverstand: het ging om ons. Hier zaten wij, mensen, en dat was het. Dat had ze alleen al met de titel bereikt, dat je het gevoel had dat de mens in dit gedicht iets zeer fragiels was, bedreigd werd. De eerste strofe zette ze zakelijk aan, onderkoeld bijna, om daarna van regel tot regel verrassend tot steeds grotere hoogte te stijgen.

‘Hij slaapt, waakt, tiert en verteert, heeft bruin en grijs haar,’ ze ging harder praten, intenser, ‘en dit alles duurt …’ nu dreigde ze ons, op een niet mis te verstane wijze las ze ons de les, ‘kome als ’t komt tachtig jaar.’ Het ‘kome als ’t komt’ had ze een heldere plofklank meegegeven, om vervolgens bij ‘tachtig jaar’ vocaal naar een zwarte, bittere diepte af te glijden. De laatste twee regels waren donker gefluisterde voorspellingen. ‘Dan legt hij zich bij

zijne vaad’ren neder en komt hij nimmer weder.’ Hierbij katapulteerde ze de o van ‘komt’ het woord uit, waardoor er toch nog een sprankje hoop leek te gloren.

Als mijn grootvader naar de wc ging, vertelde mijn grootmoeder zodra hij de kamer uit was hoe slecht het op dat moment met hem ging. ‘Hermann, die heeft het zo zwaar. Dat gaat niet lang meer goed. Hij verkeert in een desolate toestand.’ En als mijn grootmoeder de kamer uit ging, zei mijn grootvader precies hetzelfde over haar. ‘Inge kan niet meer. Het wordt allemaal te veel voor haar. Haar been wil gewoon niet meer! Ik hou rekening met het ergste.’ Om een uur of elf hadden ze hem dan al aardig zitten. Maar lang niet zo erg als ik. Ik verdroeg veel minder dan zij.

Mijn grootmoeder leed vaak onder de bevoogding van haar man. In benevelde toestand begon hij elke zin met ‘nee’ en reageerde voortdurend afwijzend op haar woorden. ‘Hermann, wil je nog wat rode wijn?’ ‘Nee! Halfvol.’ Of: ‘Hermann, smaakt de appenzeller je vandaag?’ ‘Nee! Voortreffelijk.’ Maar ze liet niet over zich heen lopen. Hij zei: ‘Doe voorzichtig, Inge, met je korte been.’ Ze zei: ‘Goeie genade, laat me nou gewoon eens met rust.’ De omgangstoon kon zomaar omslaan. Als bij toverslag. Mijn grootmoeder eiste: ‘Hermann, hou op met drinken. Je kraamt alleen nog maar onzin uit.’ Hij zei: ‘Inge, je bent echt walgelijk.’ En dat terwijl we nog maar een kwartier daarvoor hadden zitten filosoferen over het verwerven van inzicht door wanhoop of de openbaring van God door verdriet bij Kierkegaard.

Mijn grootouders luisterden elke avond naar muziek. Ze hadden maar weinig platen, en die hadden door het steeds opnieuw beluisteren bovendien nogal wat te verduren gehad. Het begon met een van hun duisterste rituelen, waaraan ze onder alle omstandigheden vasthielden. Ze staken kaarsen aan en gingen samen op een grote kasjmieren deken op de vloer liggen. Daar lagen ze dan als doden die zichzelf hadden opgebaard. Dat deden ze ook

als ze bezoek hadden, zeggende: ‘Doe alsof je thuis bent, maar we luisteren nu naar onze muziek!’ Sommige platen bleven altijd in dezelfde groef hangen, en het duurde lang voor ze het merkten. Niemand waagde het de naald uit zijn groef te bevrijden. Ze lagen op de vloer te soezen, hielden elkaars hand vast en de gasten keken vanuit hun stoel toe hoe ze muziek luisterden.

voorgeproefd_FACEBOOK_AchDezeLeegte