Voorgeproefd – Ik ben Radar

Verloskamer 4C, vlak na middernacht. Dokter Sherman, de besnorde gynaecoloog die de bevalling deed, zweette licht in zijn katoenen ondergoed. Hij hield zijn handen als een bedelaar uitgestrekt om het hoofdje op te vangen dat elk moment kon verschijnen.

Zonder enige waarschuwing werd het plotseling aardedonker in de kamer.



Hoewel hij al meer dan dertig jaar bevallingen deed, schrok dokter Sherman er zo van geen hand voor ogen meer te kunnen zien, dat hij zich even afvroeg of hij dood was, een gedachte die hij direct weer van de hand wees. In een wanhopige poging zich te oriënteren draaide de dokter zich om, op zoek naar het groenverlichte bordje van de nooduitgang aan de overzijde van de gang, maar ook dat was uitgevallen.

‘Dokter?’ riep de verpleegster naast hem.

‘De nooduitgang!’ siste hij het donker in.

Overal in het ziekenhuis brak paniek uit onder patiënten en personeel nu beademingsapparatuur het liet afweten en chirurgen in inktzwarte operatiekamers met een pulserend hart in hun handen stonden. Geen van de noodaggregaten – de twee generatoren in de kelder, de reusachtige loodaccu’s bij de intensivecareafdeling die meestal zo betrouwbaar waren tijdens dit soort stroomstoringen – leek te werken. Een ramp in wording. Er was gewoon geen elektriciteit meer.

In verloskamer 4C werd dokter Sherman tot de orde geroepen door Charlene, de aanstaande moeder, die iedereen met één enkele oerkreet op niet mis te verstane wijze liet weten dat er nog steeds een baby op komst was. Misschien wás het kind al geboren, onder de mantel der duisternis. Instinctief bracht dokter Sherman zijn handen naar beneden, en hij voelde inderdaad de kegelvormige kruin van de baby uit de vagina van zijn moeder komen. Met zijn tien vingertoppen stuurde hij het onzichtbare hoofdje door het te trekken, te ondersteunen en zo te draaien dat het hoofd en de nek weer recht op de schouders van de baby stonden, die nog vastzaten in Charlenes geboortekanaal. Dat trekken, ondersteunen en draaien deed hij zonder iets te zien, slechts geleid door de herinnering die in de synapsen van zijn hersenschors was verankerd; zijn blindheid was een soort broze slaaptoestand.

Terwijl hij het kind vanuit zijn vochtige holletje in de baarmoeder een ander soort duisternis binnenleidde, hoorde dokter Sherman opeens duidelijke klikjes. Eerst dacht hij dat het geluid uit het geboortekanaal kwam, maar toen ontdekte hij dat de bron zich vlak bij hem bevond, pal achter zijn rechterschouder. Ineens baadde zijn blikveld in stroperig, geel licht. De vader van de bijna geborene, Kermin Radmanovic, die eerder met een zendontvanger en een seinsleutel de verloskamer was binnengekomen om de komst van zijn kind wereldkundig te maken, wees met een in aluminiumfolie gewikkelde zaklamp tussen de benen van zijn vrouw.

‘Het gaat goed met hem?’ vroeg Kermin. ‘Hij komt nu?’ Hij had een licht Slavisch accent; de vinnen van zijn woorden doopten het puntje van hun huig in een spiegelglad wateroppervlak.

Iedereen keek naar de plek waar de lichtbundel het duister had verdreven. Daar glinsterde het torpedovormige hoofdje van het kind, dat bedekt was met een witte, wasachtige substantie. Die aanblik spoorde dokter Sherman weer aan tot actie. Eerst voelde hij met zijn vinger onder de kin van de baby, maar toen niets erop duidde dat de navelstreng om de nek zat, riep hij: ‘Persen!’

Charlene deed haar best te gehoorzamen, en met opgekrulde tenen probeerde ze de volledige inhoud van haar buik uit te drijven. Toen ze zeker wist dat het breekpunt was bereikt, was overschreden en nog eens bereikt, kwam met een zachte plop de rest van de baby tevoorschijn en tuimelde het zeesterrenlijfje de mosterdgele gloed van deze wereld binnen.

Kermin boog zich voorover om een eerste glimp op te vangen van zijn pasgeboren kind. Vanaf het moment dat zijn vrouw zijn krappe elektronicakamertje binnen was komen strompelen, kijkend naar haar druipende hand alsof het niet de hare was, was de tijd één grote kluwen geworden. De bevalling was drie weken te vroeg begonnen. Zo vaardig als zijn vingers waren wanneer hij de gebroken kathodes en doorgebrande diodes van zijn kapotte radio’s en tv’s repareerde, zo stuntelig en gevoelloos waren ze nu ineens, alsof zijn vingertoppen waren gevuld met dik, stroperig sap. Op het parkeerterrein van het ziekenhuis was hij met de oude Buick de stoep op gereden, een laag, halvemaanvormig heesterperk in, dat deze schending niet bepaald goed had doorstaan. Terwijl hij een in dekens gewikkelde Charlene de draaideur door duwde, keek Kermin achterom naar de gehavende struiken onder het harde licht van de knipperende tl-lantaarns op het parkeerterrein, en op dat moment vroeg hij zich af of ze vooruitliepen op de tijd en de toekomst naar het heden hadden gehaald.

 

voorgeproefd_FACEBOOK_DagDesOordeels