Voorgeproefd – De Achterkant van de zon

Ik hoor getril en gehuil. Het dashboardkastje klappert bij elke heuvel. De auto botst meer dan anders tegen het zand op. Ik heb mijn moeder nog nooit zo zenuwachtig gezien; door de achterruit kijkt ze de duisternis in, op zoek naar wat eigenlijk? Ze zit op de achterbank, naast Ikram. Ik zit waar ze hoort te zitten, naast papa. De baby ligt in de schuddende schoot van mama, en mama krijgt haar niet stil. Ze huilt anders, scheller dan kinderen uit de buurt en zeurderiger dan Ikram.

Het is niet makkelijk om ’s nachts door de woestijn te rijden. De auto is onze zaklamp, wij zijn de bange mensen die erachteraan komen. De linkerkoplamp is stuk, de andere schijnt over het zwarte zand. Het schijnsel komt niet ver, het donker is te sterk. Als ik jonger was geweest, zou ik hebben gezegd dat de auto knipoogt.



 

De baby hoort nu bij ons, ik weet niet waarom. Ik draai me om en aai over het blonde, dunne haar. Ze komt uit Amerika en ze heet Mariah Carey. Ik heb weleens gehoord dat Amerika naar mango’s ruikt. Een zoete, stroperige geur. Je loopt over straat in New York en baadt in de mango’s. Er zijn veel andere mensen maar zo voelt het niet. Je hebt daar geen last van, het is waar je wil zijn.

Later wil ze vast schommelen en dan zal ik haar duwen. Zachtjes, niet te hard. Ze zal een beetje bang zijn, ik zal haar zeggen haar benen vooruit te steken, zoals ik het van mijn vader heb geleerd.

Mijn vader houdt zijn blik vlak boven het stuur. Ik kan hem ruiken. Het T-shirt dat hij tijdens het weekend draagt, plakt tegen zijn rug. Ik grijp de veiligheidsgordel vast en druk mijn neus op

het stukje waar ik altijd ruik. Bovenin, waar de hals van de bijrijder de stof raakt, zoek ik het poederige parfum van mijn moeder. Als de geur een kleur had, zou die lichtgroen zijn, een geur die hoort bij de tijd waarin papa en mama net getrouwd waren, ik hun enige kind was, en nachtelijke ritten door de woestijn het begin van een vakantie betekenden.

Papa rekent. Zachtjes vallen de nummertjes uit zijn mond. Ook aan tafel praat hij in zichzelf. Als ik goed luister, hoor ik getallen. Eenentwintig. Veertig. Honderd en tien. Hij denkt dat niemand het hoort.

 

‘Soufjan. Wakker worden. Nu niet in slaap vallen.’ Ikram is naar voren geschoven en fluistert in mijn oor, ze slaat kleine druppeltjes spuug in mijn nek. ‘De baby geeft licht, geel licht. Straks komen er muggen. Ze zullen haar zien. Dat ziet iedereen, toch? Ik moet haar vasthouden, niet mama. Mijn donkere haren kunnen het licht wel tegenhouden.’

Mijn zusje schiet naar achteren en laat zich tegen de rug van de achterbank vallen. ‘Mam, ik wil haar,’ zegt ze.

Mama schudt haar hoofd terwijl ze onafgebroken naar Mariah Carey kijkt. Het lijkt of ze haar wil houden, maar ik denk niet dat dat kan. Of ze is boos, zoals ze dat zo vaak is.

‘Stop haar dan in het dashboardkastje. Laat Soufjan het kastje dichthouden.’

Niemand luistert, sinds we zijn ingestapt heeft niemand iets gezegd. Iedereen heeft gitzwarte ogen en samengeknepen lippen. Behalve de baby. De baby heeft blauwe ogen en schreeuwt.

‘Stop haar nou in het dashboardkastje!’

Mijn zusje moet stil zijn, ze draait haar gezicht naar het raam. Mama opent haar blouse en haalt er een borst uit. Ze stopt de tiet in het gezicht van de lichtgevende baby, al komt er geen melk uit. ‘We zijn allemaal dieren,’ zegt papa vaak. ‘Zeker hier, in de natuur.’

 

voorgeproefd_FACEBOOK_AchterkantvdZon