Voorgeproefd: De drie bruiloften van Manolita

In goede tijden trouwen meisjes uit liefde. In slechte tijden doen ze dat vaak om er beter van te worden. Ikzelf trouwde in de allerslechtste tijd met een gevangene vanwege twee stencilmachines die niemand aan de praat kon krijgen. Ik was achttien, en totdat mijn broer het in zijn hoofd kreeg mijn leven moeilijk te maken, wist ik niet eens dat er apparaten met die naam bestonden.

‘Hé, zeg, ben je wel goed bij je hoofd?’ onderbrak ik hem luidkeels.

‘Toe maar, alsof ik nog niet genoeg…’

Problemen heb, wilde ik gaan zeggen, maar Toñito sprong op en greep met zijn ene hand mijn hoofd vast terwijl hij met de andere mijn mond dichtklemde.

‘Schreeuw niet zo hard,’ siste hij fel, alsof hij elke lettergreep tussen zijn kiezen wilde vermalen. ‘Weet je wel hoeveel agenten er hier beneden kunnen zitten?’

Ik knikte met gesloten ogen, en heel langzaam liet hij me weer los.

‘Jíj bent niet goed bij je hoofd, Manolita.’

‘Señor farolero que enciende el gas, dígame usted olé por caridad, por caridad…’ De stem van Jacinta, een scherp, enigszins vals gepiep dat vooral was bedoeld om de danseressen van het gezelschap de gelegenheid te geven met één hand de stroken van hun rok bijeen te nemen en hun benen te laten zien en intussen met hun hakken te tikken alsof ze een rekening hadden te vereffenen met de planken vloer, was voor ons net zo duidelijk hoorbaar als wanneer we gasten waren geweest van de commissaris van politie, die altijd een gereserveerde tafel had vlak bij het voetlicht, pal onder de kleedkamer waar de meisjes mijn broer verborgen hielden.

Meteen daarna ging de deur open en stak Dolores, de kleermaakster, de schaar schommelend aan de ketting die ze altijd om haar hals had en een zilveren vingerhoed aan haar middelvinger, haar hoofd om de hoek met opgetrokken wenkbrauwen, samengeknepen lippen en een gealarmeerde uitdrukking op haar gezicht, die Toñito meteen verdreef door zijn hoofd en handen te schudden ten teken dat er geen gevaar was. Toen ze vertrok, herhaalde Jacinta voor de laatste keer het refrein, ‘ay, olé con olé, y olé, y olá!’ maar we bleven allebei roerloos zitten tot het applaus losbarstte.

‘Hoor eens,’ pas toen begon mijn broer, die de voorstelling wel kon dromen, weer te praten. ‘Het enige wat ik van je vraag, is dat je naar me luistert.’

Het vierkante, oorspronkelijk ruime vertrek was in stukken opgedeeld door twee gordijnen van flamencojurken, een golf van franjes en stroken in alle kleuren, hangend aan metalen stangen die aan de muren waren bevestigd. In het gedeelte het dichtst bij de deur, waar Toñito me opwachtte toen ik aankwam, stonden alleen een tafel en een stoel, het kantoor waar Dolores de administratie bijhield van jurken die naar de wasserij gingen, kapotte ritssluitingen en schoenen die nieuwe hakken of zolen nodig hadden. Terwijl de meisjes weer met hun hakken tikten en een voor een zijwaarts het toneel verlieten, schoof mijn broer met beide handen de jurken aan de eerste en daarna die aan de tweede stang opzij zodat er tussen de ruches een tunnel ontstond, en zijn bewegingen waren zo snel en doeltreffend dat toen ik me aan de andere kant van de jurken bevond, Palmera nog bezig was de laatste danseres met zijn castagnetten te begeleiden. Voordat zijn vingers tot rust kwamen, hingen alle kleerhangers weer op hun plek en zat Toñito op een stoel en ik op een krukje tegenover hem. Aan de andere kant van die golvende muur van stippen in alle mogelijke kleuren bevond zich het raam waardoor mijn broer, wanneer hij dat wilde, naar buiten en weer naar binnen ging vanuit wat oorspronkelijk niets anders was geweest dan de paskamer van de tablao*, een veilige plek waar de danseressen zich rustig konden uitkleden om jurken te passen terwijl Dolores hen bestudeerde met een half dozijn spelden tussen haar lippen.

 

* tablao: (nacht)club met flamenco-optreden

 

voorgeproefd_IMU_-Grandes_Facebook