Voorgeproefd: Doorgang

Eens in de negen jaar geeft een metalen poortje in een steeg toegang tot een magische tuin. Tussen de bloemen en bomen staat een grootse villa. Elke negen jaar wordt iemand verleid de tuin binnen te gaan, waarna diens stoutste dromen uitkomen. Zo lijkt het. Maar niemand keert ooit terug en bij nader onderzoek is het poortje verdwenen.
David Mitchell (Southport, 1969) vernieuwt en overtreft zichzelf met elke roman. Door zijn vermenging van ernst en humor heeft hij een unieke plaats verworven in de literatuur. Hij is met recht een van de grootste schrijvers van dit moment.

‘Vijf,’ verklaart Axel Hardwick, afgestudeerd astrofysicus, corduroy pak, kortgeknipt, zwart krullend haar, echte naam Alan, niet Axel, maar hij denkt dat Axel hem meer de allure geeft van Guns N’ Roses. Axel kijkt ons aan alsof wíj degenen zijn die niet zijn komen opdagen. ‘Een zekere terugloop is onvermijdelijk als het dooie hout afvalt, maar een opkomst van vijf man in dit stadium van het trimester is ronduit armzalig.’ Vanuit de grote bar beneden stijgt dronkenmansgelal op en mijn gedachten drijven weg, en ik vraag me af of ik niet meer mensen ontmoet zou hebben als ik me in de introductieweek niet voor de Paranormale Club had ingeschreven, maar voor de Fotoclub, zoals ik eerst van plan was. Maar ja, dan was ik Todd nooit tegengekomen.

Todd Cosgrove, tweedejaars wiskunde, een wat verlegen, elfachtige jongen, zwarte jas, wit T-shirt, kastanjebruine jeans, laarsjes, vicevoorzitter van de Paraclub, fan van The Smiths. Tegenover me, aan de andere kant van de tafel, neemt Todd een bescheiden slokje van zijn Newcastle Brown Ale. Zijn warrige, naar achteren gekamde haar is ook bruin, de kleur van sterke thee als je er nog geen melk bij hebt gedaan. Todd woont bij zijn ouders, hier in de stad, maar hij is geen griezel en ook geen hulpeloos type, hij is slim en aardig en sterk, dus hij zal er wel zijn redenen voor hebben dat hij nog thuis woont. Ik klap helemaal dicht als ik iets tegen hem wil zeggen, maar wanneer ik ’s avonds mijn ogen dichtdoe, zie ik Todd. Het is te idioot voor woorden. Maar liefde ís idioot, dat zal elk liefdeslied uit de geschiedenis van de liefdesliederen je vertellen.



‘Misschien dat sommige weifelaars ervan hebben afgezien omdat het zo’n eind lopen is,’ oppert Angelica Gibbons. Ze is heel wat meer Gibbons dan Angelica, en tweedejaars antropologie. Ze heeft slap, indigo haar, draagt Doc Martens-schoenen en waarzegstersjurken, en ze is net zo stevig gebouwd als ik. Ik had gedacht dat we wel vriendinnen zouden kunnen worden, maar toen we maar 18 procent scoorden op de telepathietest gaf ze mij daarvan de schuld en zei ze dat ik ‘geen enkel paranormaal potentieel’ had. Het was vooral de manier waarop ze ‘geen enkel’ zei.

Axel kijkt stuurs. ‘The Fox and Hounds is maar twintig minuten lopen vanaf de campus. Prima. Ik weiger een aanslag op het budget van de Paraclub te doen voor allerlei busvervoer voor drie kilometer lopen.’ Hij begint met een bierviltje te spelen. Een Iers kaboutertje op een geëmailleerd bord met reclame voor Guinness boven de schouw trekt mijn aandacht. Het speelt viool voor een dansende toekan.

‘Ik ben het helemaal met je eens, Axel,’ zegt Angelica. ‘Nou ja, ik wou maar zeggen.’

‘Misschien dat er een heel stel onderweg zijn, maar dat ze en masse zijn verdwaald of zo.’ Lance Arnott, laatstejaars filosofie, roos op zijn kraag, T-shirt met ‘Pink Floyd The Wall’ erop, ruikt naar hamburgers. Lance heeft geprobeerd me te versieren bij de Romeinse ruïnes van Silchester. Frightmare on Elm Street toch zeker? Ik hing een lulverhaal op over een vriendje in Malvern, maar hij denkt dat ik hard to get speel. Hij wendt zich tot Fern: ‘Waar is die vriendin van jou deze week, Ferny?’

Fern Penhaligon, net als ik eerstejaars (alleen doet zij toneel), Rapunzelhaar, slank als een fotomodel, geboren in Cornwall, getogen in Chelsea, Alexander McQueen-jeans, parka met de Union Jack erop, en hier voor ‘research naar het bovennatuurlijke’, voor haar rol in de toneelversie van de film Ghost. Ze trekt haar lip op. ‘Om te beginnen heet ik Fern, en over welke vriendin heb je het?’ Ze nipt van de cointreau die ze net van Lance heeft aangenomen, maar hij is nog stommer dan hij eruitziet als hij denkt dat hij ook maar een schijn van kans bij haar maakt.

‘Die meid die erbij was in Saint Aelfric’s. Met die krachtige, rondborstige’ – Lance beeldt met zijn handen een paar borsten uit – ‘persoonlijkheid. Die uit Wales kwam.’

Fern laat de ijsklontjes ronddraaien in haar glas. ‘Je bedoelt Yasmin.’

 

voorgeproefd_IMU_-Mitchell_Facebook