Vredesactivisten klagen de Nobelprijs voor de Vrede aan

De uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede veroorzaakt regelmatig controverse. Zo was niet iedereen het eens toen Barack Obama de prijs toegekend kreeg, negen maanden ver in zijn ambtstermijn. In 1973 kregen Henry Kissinger en Le Duc Tho de prijs voor het onderhandelen van een wapenstilstand tijdens de Vietnamoorlog. Die wapenstilstand werd niet nageleefd en de oorlog duurde nog tot 1975.

De uitreiking van dit jaar aan het Tunesische Nationale Dialoogkwartet, dat werkt aan een pluralistische democratie na de Jasmijnrevolutie, lijkt weinig controversieel. Toch bekritiseert de Nobel Peace Prize Watch (NPPW) de toekenning. Sterker nog, de organisatie sleept de leden van het Nobelcomité voor de rechter. Aangezien de Europese Unie niet heeft bijgedragen aan een vredesbeweging, is volgens de NPPW de Nobelprijs voor de Vrede in 2012 een illegaal gebruik van fondsen.



Fredrik Heffermehl stampte de organisatie uit de grond in 2014. Voor die tijd was hij vice-voorzitter van het Internationaal Bureau voor de Vrede, een organisatie die in 1910 de Nobelprijs voor de Vrede in de wacht sleepte. Heffermehl zegt dat heel wat Nobelprijswinnaars niet voldoen aan de eisen die in het testament van Alfred Nobel staan.

Volgens het testament moet de prijs gaan naar “de persoon die het meest gedaan heeft voor de verbroedering van naties, voor het afschaffen of verminderen van staande legers en voor het organiseren en promoten van vredescongressen.”

“Er is niets mis met een aanmoediging voor het Tunesische volk, maar Nobel dacht vanuit een veel groter perspectief”, getuigt Thomas Magnusson van NPPW aan David Swanson. “Het comité blijft het testament interpreteren zoals zij dat willen, in plaats van te bestuderen welke vredesideeën en ‘kampioenen van de vrede’ Alfred Nobel in gedachte had toen hij zijn testament ondertekende op 27 november 1895”, aldus Magnusson.