Voorgeproefd: Vleermuismoorden

Het is begin december, en vriesweer. Als een busje met Britse zakenlui te pletter rijdt tegen de gevel van een bank, wordt er gevreesd voor een aanslag. Ondertussen zoekt een ontstemde commissaris Liese Meerhout naar een nieuwe woning en kan haar hoofdinspecteur Masson maar niet zwijgen over zijn reis naar Portugal, waar hij niet alleen kerken, musea en kroegen heeft bezocht, maar ook een bibliotheek vol vleermuizen. Het busongeval blijkt een moord te verhullen en Liese krijgt de zaak toegewezen. Niet lang daarna wordt er een rechter omgebracht en pleegt iemand een aanslag op haar leven. Liese moet onderduiken…
Masson brengt haar onder bij een oude vriendin die een hotelletje runt in de Antwerpse binnenstad, niet ver van de kathedraal. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat ze op zoek zijn naar een formidabele tegenstrever. Want hoe stop je een moordenaar die niets meer te verliezen heeft?

 

De weduwe van Alexander Pevenijns was, net als haar overleden man, een vrij grote dame. Ze had  ik, grijs haar en droeg een opvallende designbril met kleine vleugeltjes aan de zijkanten. Ze zat  kaarsrecht op de bank in de woonkamer, met haar handen bewegingloos in haar schoot. Het was alsof het nieuws haar versteend had en ze bij de minste aanraking uit elkaar kon vallen. Ze leek nog steeds niet goed te beseffen wat er gebeurd was.
‘Hij had vreselijke kiespijn’, zei ze. ‘Hij was vanochtend een vulling kwijtgeraakt.’ Ze sprak zacht en lijzig en kwam moeilijk uit haar woorden, iets wat Liese toeschreef aan het kalmerende spuitje dat de huisdokter haar gegeven had. ‘U hebt hem vanavond nog aan de telefoon gehad’, zei Liese vriendelijk. ‘Toen hij bijna thuis was.’
De vrouw keek dwars door haar heen.
‘Heeft hij nog iets speciaals gezegd? Iets… ongewoons of zo?’
‘Hij wilde niet dat ik de garagepoort voor hem opendeed. Dat wil Alexander nooit.’ Ze was ongemerkt op de tegenwoordige tijd overgeschakeld. ‘Hij heeft een afstandsbediening in zijn auto en hij doet dat liever zelf.’
‘Maar u hebt de garage geopend, toch?’
Nu knikte ze traag. ‘We hebben hierboven ook een knop, voor als we gasten hebben die in de garage willen parkeren. Ik gebruik mijn plaats toch nooit, ik heb geen auto meer.’
Plots snikte ze en leek het of ze geen lucht meer kreeg.
Liese wachtte tot de vrouw weer normaal ademde.
‘Was het een normaal gesprek?’ vroeg ze. ‘Klonk uw man… anders dan gewoonlijk?’
Mevrouw Pevenijns schudde nee. Nu werden haar ooghoeken vochtig.
‘Heeft hij recent iets verteld over zijn werk?’ vroeg Sofie. ‘Iets waar hij mee zat, een onaangenaam voorval of zo?’
‘Nee, helemaal niet.’
‘Zegt de naam Bruno Deloovere u iets?’
De weduwe keek haar met grote, nietszeggende ogen aan.
‘Eh… nee, wie is dat?’
‘U hebt die naam nooit horen vallen?’ vroeg Liese. ‘Uw man heeft die naam nooit vernoemd, in uw bijzijn?’
De vrouw zweeg en schudde langzaam haar hoofd. Ze begreep er niets van.
‘Wij zouden met vakantie gaan’, fluisterde ze met gesmoorde stem. ‘Naar Ierland, om te gaan wandelen.’
De tranen liepen nu ongeremd over haar wangen.

De gesprekken met de andere bewoners van het gebouw werden woning per woning afgehandeld. Het was een hele klus, zelfs met de hulp van Laurent, die ondertussen klaar was met het buurtonderzoek. In drie van de flats waren de mensen al naar bed gegaan, ondanks het lawaai en de drukte die er sinds het voorval in het gebouw heerste en het af en aan rijden van politiewagens met snerpende sirenes. In alle drie de flats waren de bewoners niet blij dat ze uit hun slaap werden gehaald.
In de loop van de nacht kreeg Liese een telefoontje.
‘Lukt het daar zo’n beetje?’ vroeg Michel Masson. Zijn stem klonk dik en lijzig, alsof hij hetzelfde spuitje als de weduwe Pevenijns had gekregen. Op de achtergrond hoorde ze gelach en geroezemoes.
‘Waar zit je?’ vroeg ze.
‘Eh… daarnet nog in het Heilig Huisken, denk ik. Nu weet ik het niet zo goed meer.’ Hij snoof. ‘Hoe gaat het daar?’
‘Langzaam, Michel. Vooral omdat we twee dozijn alibi’s moeten checken en we een hoofdinspecteur missen. Die kon niet komen, hij hing weer eens dronken aan een of andere tapkast toen we hem belden.’
‘Ja.’ Ze hoorde hem diep inademen. Het bleef een tijdje stil.
‘Ik moest alleen zijn vanavond, Liese.’
‘En daarom ben je van kroeg naar kroeg getrokken?’ vroeg ze zacht. ‘Als ik alleen wil zijn, dan ga ik niet naar een drukbevolkt café, dan ga ik ergens heen waar niemand is.’
‘Nee, daar zou ik alleen maar mezelf tegenkomen’, mompelde hij. ‘En mezelf en ik, wij schieten niet zo goed op met elkaar, op dagen als deze.’ Hij hoestte.
Ze zag hem voor zich, wankelend door een van die talloze kroegen die hij frequenteerde, met dat norse en ontoegankelijke gezicht dat hij opzette als hij niet aangesproken wilde worden omdat ieder woord van een vreemde hem dan op een of andere manier dwars door de ziel sneed.
‘De eenzaamheid is soms goed’, zei hij traag. ‘We moeten allemaal eens wat meer eenzaam zijn, dan is er minder gelul in de wereld.’
‘Dan zal ik maar blij zijn dat ik je vanavond geholpen heb’, zei ze. ‘Met je eenzaam te laten zijn, bedoel ik.’
‘Dat komt doordat je me graag ziet’, zei Masson.
‘Excuseer?’
‘De hoogste vorm van liefde is iemands eenzaamheid beschermen. Komt van Rilke. Duits dichter. Ook geen vrolijke frans, nu ik er over nadenk.’

Toen ze uiteindelijk thuiskwam, was het bijna drie uur ’s ochtends en zo koud dat het pijn deed aan haar gezicht.
De hemel was stroperig zwart, een sombere, dreigende, onverbiddelijke massa.

 

voorgeproefd_IMU_-Vleermuismoorden_Facebook