Voorgeproefd: Val

Als uit het niets daagt een jonge stadsarts op in Fall, een klein vissersstadje omgeven door een immens woud. Hij komt als geroepen: Lyndon, de oude plattelandsdokter, is net overleden en de nieuwe dokter neemt intrek in zijn statig huis, te midden van de bossen. Op zijn rondes maakt hij kennis met een aantal kleurrijke figuren: de aan insomnia lijdende sheriff Dwight die hem ’s nachts opbelt om hem de geschiedenis van Fall uit de doeken te doen, de verleidelijke Rose die een bordeel uitbaat, en de jonge leraar Jonathan die dolgraag een roman wil schrijven maar twijfelt aan zijn talent.
Wanneer hij op Lyndons zolder een gruwelijk 8mm-filmpje ontdekt en in Fall vrouwen beginnen te verdwijnen, neemt het verhaal een donkere wending. Wat eens een idyllische plek leek, blijkt nu een donkere kanker te herbergen.
Met Val daalt Roderik Six af in de diepste krochten van de menselijke geest. Gewapend met stilistische brille gaat hij genadeloos op zoek naar het ultieme kwaad. Want Fall woekert in ieder van ons.

Zijn achtertuin werd belicht door felle lampen die op hoge palen gemonteerd waren. Het licht fileerde de duisternis; de bomenrand was een zwarte wand waar af en toe een grillige tak doorheen brak, en alles wat binnen de stralenkring gevangenzat rees met akelige helderheid uit de aarde op. Een door licht geslepen wereld, schaduwen zo scherp afgelijnd dat je vreesde je aan het zwart te snijden.

Dwight toonde me de kooien, smalle cellen waar net een hondenhok in paste met daaromheen wat loopruimte. Het gras was platgelopen of omgewoeld en bezaaid met uitwerpselen. Gamellen deden dienst als drink- en voederbak. Hier en daar lag een kapot gebeten tennisbal of een afgekloven bot. Bij de tweede kooi stak een gevlekte bastaard zijn snuit naar buiten, zijn donkere ogen bang glanzend in de nacht. Toen we naderden, deinsde hij terug en verdween in zijn hok.

Het geblaf kwam van de verste kooi, het dichtst bij de bomen. Het droge geluid klonk even regelmatig als adem, als het tikken van een vermoeide klok. Een nimmer aflatende aanklacht. Het beest zelf lag opgekruld in een hoek, een hoopje vacht dat met elke blaf opwipte.

‘Het is een teefje. Ik heb haar van de straat geraapt, ze lag daar maar te liggen. Gromde noch snauwde toen ik haar in de pick-up tilde. Eten doet ze nauwelijks en zelfs ’s nachts, als het koud wordt, blijft ze in die hoek liggen.’

‘Het klinkt als kinkhoest.’

Dwight plukte een sleutelbos van zijn riem en klikte het hangslot open. ‘Ze doet niets. Maar toch, om zeker te zijn.’ Hij gaf me dikke lederen handschoenen die tot aan mijn ellebogen reikten. Zelf trok hij zijn wapenstok uit zijn koppelriem.

Het dier reageerde nauwelijks toen ik bij haar neerhurkte en mijn hand op haar nek legde en even achter haar oren kroelde. Haar vacht was smoezelig en had een vreemde groene glans, alsof er smaragddraad doorheen was geweven. Ik tilde haar kop op. In mijn ooghoek zag ik hoe Dwight zijn greep verstevigde. Haar ooghoeken plakten bijna dicht van de etter. Zelfs met mijn hand onder haar kaakbeen bleef ze hoesten, korte stootjes door haar hals.

Met mijn duim ontblootte ik haar tanden. Het was een walgelijk zicht: het glazuur was bedekt met een bruine, draderige substantie die ook haar tandvlees overwoekerde. Iets organisch wat boven- en onderkaak overbrugde – haar bek leek dichtgegroeid. Zo kon ze niet eten. Ik tastte haar flank af. Haar ribben priemden door de vacht en toen ik haar staart optilde, vielen er wormen uit haar aars.

Ze werd levend verteerd.

Ik haalde een schaartje uit mijn dokterstas, spreidde haar bek open en probeerde de bruine verbinding door te knippen. Die bleek taaier dan verwacht; ik moest danig wat kracht zetten. Eén draadje knapte en ze jankte, alsof het weefsel vol zenuwen zat. Met een pincet plukte ik een stukje van tussen haar tanden. Het krulde op als een belaagde rups. Dwight scheen bij met een zaklamp: het had een houterige structuur, bijna als sponzige klimop, en ik stopte het monster in een proefbuisje.

Ik keek omhoog, naar Dwight, en schudde mijn hoofd.

Hij knikte, legde zijn wapenstok op de grond, en klikte zijn holster los.

Ik aaide nog een keer over haar kop – ze keek me smekend aan – en verliet de kooi.

Ik herinner me de knal, brutaal als donder, en de brokjes schedel die tegen mijn broekspijp spatten.

Ik herinner me nog hoe ik omhoog keek langs de zwarte flanken, en daar niets zag, alleen slechts een duistere hemel. Een eerste blad liet haar uitgedroogde tak los en dwarrelde in verblindend wit naar beneden.

Ik herinner me de stilte. Dwight en ik die zwijgend steak aten. Enkel het krassen van metaal op aardewerk.

En ik herinner me de zwaarte – de last van dat alles.

 

voorgeproefd_IMU_-Val_Facebook