Voorgeproefd Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus

Heeft de arme poetsvrouw van Hugo Claus het verdiend om brutaal te worden afgeslacht in 1961? Dat is een vraag die een antwoord verdient, en door wie anders kan dit antwoord geleverd worden dan door de Moordbrigade van Gent, bestaande uit commissaris Übertrut en z’n rechercheurs Zeik, El bazaz, Compas en Broekgat? Übertrut is enigszins nerveus omdat hij gepasseerd is voor de baan van hoofdcommissaris, en hij jaagt z’n secondanten tot het uiterste om de onverlaat die de poetsvrouw heeft omgebracht in te rekenen. Zeik en de zijnen gaan niet over één nacht ijs en als de wiedeweerga ondervragen ze verdachten als neef Vic, tante Rina, schoonzus Odile, en natuurlijk ook die dekselse Hugo Claus en z’n pronte secretaresse. De spanning stijgt, de moordenaar lijkt wel door de mazen van het net te glippen, en Zeik en Co werken de klok rond. Wat zal het resultaat van dit alles zijn? Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus is na Zeik opnieuw een whodunit die tot nagelbijten bij de lezer leidt, die het bloed doet razen, en waarvan je je op den duur afvraagt: waar blijft die Brusselmans het in godsnaam allemaal halen? Kortom, deze thriller kan geschouwd worden als een onvervangbaar, onimiteerbaar en onmisbaar, althans in z’n genre. Een topprestatie van de ouwe Brusselmans.

Inderdaad, El Bazaz en Compas waren met dat buurtonderzoek volop aan de gang. Nu zaten ze in de Schoenlappersstraat nummer 18, bij het echtpaar Jules De Potter en Amelie Vermuggen. Deze twee, allebei gepensioneerd en vroeger werkzaam in de fabriek L’Appertage, waar knolselder werd verwerkt tot exotische groentepuree, hadden El Bazaz en Compas een drankje aangeboden, en de twee inspecteurs hadden aldus reeds drie cognacs op, terwijl de vierde door Amelie werd ingeschonken. ‘Ja, Hugo Claus,’ zei Amelie, ‘daar werkte ze bij. Die schrijver. Met z’n zakneusdoeken.’

‘Hoezo zakneusdoeken?’ zei Compas. ‘Wat is er met die zakneusdoeken?’

‘Ach, ik wil niet roddelen,’ zei Amelie.

‘Nee,’ zei Jules, ‘roddelaars zijn we niet. Hoewel ik toch even wil opmerken dat we iets hebben gehoord over de charmezanger Jackie Ricardo.’

‘Wat heeft die met de moord op Martha De Maeseneere te maken?’ vroeg El Bazaz.

‘Niks,’ zei Jules. ‘Ik zei alleen maar dat we niet roddelen, over niemand, maar dat we toch iets gehoord hebben over Jackie Ricardo, wiens schoonbroer in de Lange Munt woont en met wie we af en toe een babbeltje slaan.’

‘Ja, Jackie Ricardo,’ zei Compas, ‘van z’n hit “Geef mij je hart in ruil”, ja die ken ik wel. Een goeie zanger.’

‘Maar niet alleen een goeie zanger,’ zei Jules samenzweerderig.

‘Wat nog meer?’ vroeg Compas.

‘Een kinderlokker,’ zei Jules, die eerst om zich heen had gekeken of behalve z’n vrouw, El Bazaz en Compas niemand hem kon horen.

‘Een kinderlokker?’ zei Compas verbaasd. ‘Jackie Ricardo? De lieveling der meisjes? De man van vijfhonderd vrouwen? De kerel met de snikkel van hier tot aan de oever van de Leie?’

‘Dezelfde Jackie Ricardo,’ zei Jules. ‘Die doet het met kleine jongetjes.’

Hiervan moesten Compas en El Bazaz wel even bekomen, hoewel El Bazaz nog nooit had gehoord van Jackie Ricardo, en vol walging vanwege die kinderlokkerij namen ze een forse slok van hun cognac. Daarna zei El Bazaz: ‘We laten die hele Ricardo sito presto oppakken door de Zedenbrigade.’

‘Hola hola,’ zei Jules, ‘niet zo snel. Er zijn geen bewijzen. Het zijn alleen maar geruchten.’

‘Altijd maar die geruchten,’ zei El Bazaz, ‘wat schiet je ermee op? En meestal zijn ze nog gebaseerd op leugens ook. Weet je dat ooit ’ns over mij het gerucht ging dat ik m’n moeder, terwijl ze lag te slapen, had ingewreven met haar eigen stront?’

‘Meen je dat nou, Mohamed?’ zei Compas.

‘Jazeker,’ zei El Bazaz, ‘maar het was een vieze leugen. Het kon de waarheid niet zijn, want in de periode dat men dat vertelde was m’n moeder al drie maanden geconstipeerd. Dus van haar eigen stront kon geen sprake zijn.’

‘Van wiens stront dan wel?’ vroeg Amelie met gluiperige oogjes.

‘Daar vertel ik verder niks over,’ zei El Bazaz. ‘Trouwens, als je diep gaat graven vind je over iedereen wel iets wat niet deugt.’ Hij wiste het zweet van z’n voorhoofd met z’n zakneusdoek, en dacht bij zichzelf: waarom heb ik dat godverdomme verteld van m’n moeder en die stront? Daar had ik toch beter m’n bek over kunnen houden? Ik moet ’ns

leren om m’n grote klep dicht te klemmen. Hij nam nog een slok en gebaarde naar Amelie dat ze nog ’ns moest bijvullen.

‘Mag ik eens naar het toilet?’ vroeg Compas.

‘Dat is buiten op het koertje,’ zei Amelie. ‘De witte deur in de keuken.’ Via een vaalwitte deur in het kleine keukentje belandde Compas op een koer, waar weer een andere vaalwitte deur zichtbaar was, met in het hout een hartje uitgespaard. Compas ging naar binnen en viel bijna omver van de geur. ‘Welke schijter heeft hier z’n hoop geloosd?’ vroeg ze zich af. Ze ging tegen haar zin op het gat in de plank zitten en liet haar urine vloeien.

 

Verschijningsdatum: 08/09/2015

Uitgeverij Prometheus

ISBN: 9789044628760

Prijs: 14,95 euro

Aantal bladzijden: 192

 

voorgeproefd_IMU_ Zeikendemoordopdepoetsvrouwvanhugoclaus_FACEBOOK