Onze journaliste liep mee met de Dodentocht

Van vrijdag op zaterdag vond afgelopen weekend de 46ste editie van de Dodentocht plaats. Vanuit Bornem waagden meer dan 12.000 dappere wandelaars zich aan een 100 kilometer lange route, die in minimum 10 en maximum 24 uur moet worden uitgestapt. Onze journaliste liep mee.

Vanaf je 25ste neemt je spiermassa jaar na jaar met 1% af, stond eerder in deze krant te lezen. Een pijnlijk cijfer, zeker als je de kaap van de 25 net gerond hebt. Een goed moment om ‘de aftakeling’ tegen te gaan, denk ik dan. Ik heb een doel nodig, want sporten is nooit echt mijn ding geweest. De enige vorm van lichaamsactiviteit waar ik me regelmatig aan waag, is fietsen, maar dat is enkel uit praktische overwegingen – om van punt a naar punt b te geraken. Waarom niet meedoen aan de Dodentocht, stelt iemand voor, je loopt het eerder op doorzettingsvermogen dan op conditie.

Gelukkig vind ik twee compagnons die gek genoeg zijn om mee te doen. Het is juni als we dat beslissen, maar volgens de organisatoren is het veel te laat om je nog goed voor te bereiden. Daar heb je minstens een half jaar voor nodig. We doen toch een poging om af en toe te ‘trainen’, maar door overvolle agenda’s en vakanties komen we nooit verder dan een paar uurtjes per week. Om echt te weten wat het is om honderd kilometer te wandelen, is er meer nodig dan dat. Het orgelpunt van onze voorbereiding is een ommetje van een kleine dertig kilometer: van Leuven naar Mechelen. Tijdens die wandeling krijgen we een voorproefje van wat de Dodentocht met ons lichaam zal doen. Spieren – op plaatsen waar je nooit had gedacht dat ze er waren – worden stram. Maar het lukt vlot, dus dat geeft moed.

Dorpsfeest

De sfeer in het centrum van Bornem lijkt op die van een groot uitgevallen dorpsfeest. Het is zoeken naar een vrije plaats op een van de terrasjes aan de cafés, de plaatselijke fanfare en een clown zorgen voor randanimatie en heel Bornem en omstreken lijkt op de been om dit evenement vanop de eerste rij mee te maken.

Wanneer de kerkklokken om stipt 21 uur luiden, weerklinkt het startschot. We staan klaar tussen de andere 12.014 enthousiaste deelnemers. Het is een bont allegaartje: jong en oud, afgetraind en met een stevige bierbuik, alleen en met de wandelclub. Het startschot leidt niet tot een pijlsnelle start, het is eerder alsof je in een kudde schapen loopt. Je kan enkel wat drummen en vooruit schuifelen. Na de eerste scan – elke deelnemer wordt op bepaalde punten gescand, zo kan iedereen online volgen hoever je al geraakt bent – gaat het echt van start. Iedereen zoekt zijn tempo en we worden al snel voorbijgestoken door de meer doorwinterde wandelaars. Hoewel we daardoor aangestoken worden om sneller te stappen, proberen we ons aan ons eigen tempo te houden, een tip om de mars vol te houden.

Onder het goedkeurende oog en aanmoedigingen van de buurtbewoners en supporters start de tocht nu echt en gaan we de nacht in. «Eén kilometer gedaan, nog 99 te gaan», staat er te lezen op een spandoek. Verder krijgen we high fives van kinderen, stukjes fruit en koekjes van buurtbewoners, oppeppende beats van amateurdj’s… Naarmate de kilometers vorderen stijgt het alcoholgehalte bij de omstaanders. Wat voor de wandelaars een dodelijke tocht is, is voor vele anderen een reden voor een feestje, maar het komt de sfeer alleen maar ten goede. En dat is welgekomen, want tijdens de nachtelijke uren worden we verrast door twee regenbuien.

Eerste dip

Wanneer het terug licht wordt en de feestvierders in hun bed zijn gekropen, zijn we bijna halfweg. Ondertussen heeft een eerste groep de eindmeet al gehaald, zij jogden de tocht uit. Niet echt motiverend, zeker als elke stap moeizamer verloopt en we ons bij iedere controlepost uitgeteld op de grond gooien. Liggend op de rug en met onze benen in een hoek van negentig graden proberen we ons lichaam zoveel mogelijk te laten recupereren, maar tevergeefs. De eerste echte dip is een feit.

Opeens staat een vriendin ons op te wachten om een eindje mee te wandelen. Ze is er in het midden van de nacht voor opgestaan, maar ziet er opmerkelijk fris uit in vergelijking met ons en vele andere deelnemers. Ze sleurt ons erdoor. Na een kleine 12 uur hebben we 52,18 kilometer achter de rug. Als we aankomen aan de controlepost in de Duvel-brouwerij staat er een lange rij aan de EHBO-stand, liggen mensen uitgeteld op de grond en worden anderen afgevoerd op een brancard of rolstoel. Zo’n 3.400 stappers moeten op dit punt afhaken. De volledige 100 kilometer afleggen, lijkt me een onhaalbare kaart. Een van mijn compagnons, Hanne, ziet het nog helemaal zitten en besluit al verder te gaan zodat ze niet te veel tijd verliest. Met succes, want ze heeft de finish gehaald!

IJdele hoop

Met z’n tweeën zetten we de tocht verder en vinden een tweede adem. Via de trackingwebsite van de Dodentocht volgen vrienden ons op de voet en krijgen we aanmoedigende berichtjes. De opflakkering blijkt van korte duur: onze benen willen niet meer mee, blaren beginnen onze voeten te teisteren en het nachtje-door eist zijn tol. Tot overmaat van ramp begint het opnieuw te regenen. Onze pogingen om door het dipje te raken met behulp van walgelijke sportdrankjes en -gels en energiebars is ijdele hoop. Ons lichaam geeft het op en dus moeten ook wij de handdoek in de ring gooien na 70,33 kilometer en 16 uur wandelen. Als we de 70 kilometer halen kunnen we het uitlopen, dachten we voordien. Maar 30 kilometer betekent nog zo’n zes uur stappen. Dat was dus een kleine misrekening.

Uiteindelijk haalden 7.742 deelnemers de eindmeet, zo’n 64 % van de wandelaars. Met een betere voorbereiding, lukt het ons de volgende keer misschien ook! Een ding is zeker: de Dodentocht heeft zijn naam niet gestolen.

Heleen De Bisschop