“Het voelt onwennig om naast echte supersterren te spelen”

Zonder het Sfinks-festival, dat afgelopen weekend plaatsvond, had de muzikale carrière van Bart Peeters er anders uitgezien. De rijke waaier aan stijlen die hij schijnbaar moeiteloos op zijn platen etaleert, is flink bemest geweest door de vruchtbare potgrond van de legendarische Boechoutse festivalweide.

«Alle edities van het Sfinks-festival hebben zich bij wijze van spreken in mijn achtertuin afgespeeld. Ik zat er met mijn neus op en ik hoef nu enkel de straat over te steken om op het terrein te zijn. Het is zalig wakker worden wanneer je weet dat je naast je voordeur een concert kan geven. Naargelang hoe de wind staat vangen we flarden op van de monotone beats die van Tomorrowland komen of van de sexy grooves die Sfinks laat waaien. En als de wind het echt uithangt, krijgen we een mix van de twee en dat is behoorlijk psychedelisch. Laat het duidelijk zijn dat ik de sexy grooves van Sfinks verkies», zo steekt Bart Peeters met zijn gebruikelijke enthousiasme van wal.

Je hebt de evolutie van wereldmuziek vanop de eerste rij kunnen volgen.

«Absoluut want ik heb heel mijn leven in of rond Boechout gewoond en zat al in het publiek tijdens de eerste editie in 1975. Toen was het nog folk en hoorde je bijvoorbeeld The Chieftains in het park achter de Sfinks-villa. Dat ik nu muziek speel die roots heeft in de folk en wereldmuziek komt gewoon door het feit dat ik in een klein dorp woonde dat wereldsterren uit alle hoeken van de wereld verwelkomde. Ik was toen ook de enige drummer in Boechout en die moest – of beter gezegd mocht – natuurlijk zijn drumstel uitlenen aan Youssou N’ Dour, Rubén Blades of Queen Ida. Drums op een vliegtuig was in die tijd blijkbaar not done. Ik kreeg dan tickets voor mezelf, vrienden en familie en elk jaar was het feest. Ik ben meermaals de nacht ingegaan met de drummers van die acts.»

Vijf jaar geleden stond je dan zelf voor het eerst op het festival. Hoe voelde dat?

«Afsluiten in de club nadat Youssou N’ Dour en de Buena Vista Social Club hadden gespeeld het was fantastisch maar ook vreemd. Naar Boechoutse normen leek het normaal en was het een thuismatch. Aan de andere kant voelde het onwennig aan om na zo’n supersterren te spelen. Maar tijdens dat festival hebben we wel contacten gelegd die ervoor gezorgd hebben dat we in Frankrijk of Marokko hebben gespeeld. Ik heb niet alleen mijn muzikaal DNA aan Sfinks te danken, ik heb er ook een stuk van de wereld door kunnen zien.»

Als ex-Boechoutenaar met Sfinks in mijn achtertuin herinner ik me nog heel wat fantastische momenten. Ik denk bijvoorbeeld aan de betreurde Nusrat Fateh Ali Khan die naast hem op het podium een soort boekhouder had zitten die regelmatig in het publiek rondging en het geld dat hij van de aanwezige Pakistani kreeg daarna over het hoofd van de zanger strooide. En niet te vergeten…

«…het legendarische concert van Manu Dibango. Ik zie het nog voor me hoe er op een gegeven moment een politieagent het podium opspringt met de mededeling dat het gedaan moest zijn. Sfinks lag toen echt in een bebouwde wijk en blijkbaar was de avondklok overschreden. Dibango moest stoppen maar dat was buiten het publiek gerekend. Er stonden toen nog ijzeren tafels en stoelen op het terrein en plots begon er iemand uit onvrede met houten stokken op een tafel te slaan. Je raadt al wat er gebeurde. Alles waar er enigszins op geklopt kon worden, werd massaal ingezet. Tot zeven uur ’s morgens dreef het nachtelijke Boechout op de beats van een ontevreden publiek. (lachend) Weg met de nachtrust. Onnodig te zeggen dat er nooit een tweede keer werd ingegrepen door een al te ijverige politieman. Dat waren heerlijke momenten.»

Dirk Fryns