Voorgeproefd: Slaapwel

De gepensioneerde mijnheer Adam heeft wat spaarcenten en doet daar niet geheimzinnig over. Hij mag graag verkondigen dat hij een levensgenieter is. Alleen, sinds zijn vrouw overleden is, heeft hij niemand meer om samen mee te genieten. Met een bankencrisis die verder toeslaat, belastingen die steeds dieper inhakken op inkomens en banken die slechts geld lenen aan wie al geld heeft, lijkt de alleenstaande weduwnaar voor velen een interessant individu. Iedereen in het slaperige stadje weet wie allemaal op zijn spaarcenten uit is. Alleen mijnheer Adam denkt dat ze voor zijn natuurlijke charme vallen. Patrick De Bruyn is met ‘Slaapwel’ aan zijn elfde thriller toe.

Mijnheer Adam trok aan de portierhendel en wilde zijn deur openen. Dat lukte op een kiertje, maar de stugge struiken verhinderden dat hij kon uitstappen. Hij klikte zijn gordel los en duwde met alle kracht die hij in zich had tegen de deur, maar hij kreeg ze nauwelijks verder open. Hij wist het, hij voelde zich al een hele tijd slapjes, ondanks een gezonde eetlust. Het leek of de kracht samen met de kilo’s uit zijn lichaam weglekte. Bovendien sliep hij ook slecht, de laatste tijd. De stress. Dat was niet goed. Hij moest er dringend werk van maken om dat om te buigen. Al zou dat geen enkel probleem meer zijn zodra hij hier definitief vertrokken was.

Misschien kon hij langs de passagiersdeur proberen uit zijn auto weg te komen. Maar dan zou hij zijn stramme knieën over de middenconsole moeten heffen. Voor hij aan die onderneming begon, probeerde hij nog een paar keer vergeefs om de motor opnieuw te starten. Toen dat niet lukte, zette hij zich schrap om de grote overstap te maken.

Maar plotseling voelde hij een hand die hem door het open raampje stevig bij zijn schouder nam. Mijnheer Adam schrok zich rot, maar voor hij zich kon omdraaien had die hand hem al weer losgelaten en werd zijn portier hardhandig opengetrokken. Stengels van struiken zwiepten tussen de deur en de carrosserie. Mijnheer Adam keek op en was oprecht verbaasd toen hij de man herkende die naast zijn auto geposteerd stond:

‘Vincent?’

‘Ja, ik ben het.’ De man trok zijn portier helemaal open.

‘Kom maar,’ zei hij, ‘kom er maar uit.’ En hij bood hem behulpzaam een hand aan. Mijnheer Adam zette beide voeten uit de auto en kwam stram overeind:

‘Vincent, wat een geluk dat jij mijn portier voor mij hebt kunnen openen. Ik dacht dat ik nooit meer uit mijn auto zou geraken.’

‘Ze zouden je er wel uit gekregen hebben. Toch wel.’ Mijnheer Adam keek Vincent ineens zorgelijk aan:

‘Maar wat doe jij hier? Kwam je hier voor mij?’

‘Ik was toevallig in de buurt en ik zei bij mezelf: «Ik ga mijnheer Adam eens dag zeggen» en toen ik kwam aangereden, zag ik je auto hier tussen de struiken vaststeken.’

‘Ah, want ik moet weg, hè.’ En dan na een pauze: ‘Heb jij dan gezien wat er gebeurd is?’

‘Wel, het is te zeggen: ik zie vooral het resultaat, nietwaar. Meer weet ik ook niet.’

‘Het is de cruisecontrol, Vincent, de cruisecontrol, man. Ik heb toch altijd al gezegd dat daar iets mis mee was.’

‘Ja? Kom maar mee. Zal ’t gaan?’ Vincent leidde mijnheer Adam tot achter zijn auto, waar de struiken platgereden waren:

‘Kom eerst maar even op adem’, zei hij. ‘Heb je alles mee?’

‘Alles mee? Wat bedoel je, Vincent?’ Vincent boog zich voorover in de auto en gleed, buiten het zicht van mijnheer Adam, met een hand over de vloer voor de bestuurdersstoel. Hij kwam weer overeind:

‘Ik bedoel je telefoon en je papieren en zo.’

‘Mijn telefoon heb ik altijd bij me, Vincent, dat weet je ondertussen toch’, zei mijnheer Adam. ‘Hier, die hangt altijd aan een lint rond mijn hals. En voor de rest heb ik alle kaarten en mijn rijbewijs in mijn portefeuille hier. De papieren van de auto en van de autoverzekering zitten in het handschoenkastje.’ Vincent kwam weer overeind:

‘Ah ja? Ha maar, dan is ’t goed. ’t Is maar omdat ze je auto zullen moeten takelen. En ’t is altijd lastig als er dan nog belangrijke papieren in blijven liggen…’ In de verte hoorden ze loeiende sirenes.

‘Kijk hier’, zei mijnheer Adam. Hij wreef over de schade aan de achterzijde van zijn auto. ‘Dat is ook nog maar pas gebeurd. In de garage, achteruitrijdend, ik gaf een beetje gas – niet veel – en ik ben er zeker van dat die elektronische rommel daar toen ook al ineens aansprong.’ Vincent keek kort en ongeïnteresseerd naar de deuk in de carrosserie en knikte:

‘Ik ga er maar eens vandoor.’ Hij tikte met een vinger tegen zijn oor om op de sirenes te wijzen. ‘Je krijgt direct ander bezoek. Zij moeten zelf maar de papieren uit het handschoenkastje nemen als ze die nodig hebben.’

Mijnheer Adam zag Vincent niet vertrekken, in de ban als hij was van de schade aan zijn wagen.

Patrick De Bruyn, Slaapwel, Manteau, 288 p., 21,99 euro