Voorgeproefd: Verloren levens

Dertig jaar na zijn militaire dienst ontvlucht Ziya het tumult van de stad, op zoek naar de rust van een dorp waar hij fantastische verhalen over heeft gehoord. Door zijn gruwelijke en vernederende diensttijd, en het verlies van vrouw en kind in een terroristische aanslag, is hij nooit echt in staat geweest de draad weer op te pakken. Tot hij zich losmaakt en vertrekt. Aangekomen in het dorp wordt hij warm ontvangen door zijn oude strijdmakker Kenan en diens familie. Terwijl hij met het verleden in het reine probeert te komen, merkt hij dat zijn vriend iets voor hem verbergt en dat niet iedereen zijn aanwezigheid waardeert.

Ziya deed de deur op slot en beende met de sleutels nog in zijn hand naar de lift. Er hing een eigenaardige sfeer in de gang. De rij lichtjes die als gele bollen aan het plafond hingen brandden als altijd, maar toch leek het donker. Bovendien was het verbazingwekkend stil. Dat duurde niet lang. Plots gooide iemand met een dreun een van de bruine stalen deuren op de benedenverdieping dicht. Het enige wat Ziya kon zien was een schaduw die razendsnel, zo snel als een grapje waarvan niemand weet wie het maakte, van de ene kant van de gang naar de andere flitste. Dan klonk er vanuit de schemering van het trappenhuis geschreeuw van een kind. En daarna een ijzige vrouwenkreet. Vervolgens het irritante gedreun van een stofzuiger die heen en weer ging en ergens in de verte het gedril van een klopboor. Achter de muren zaten andere muren en daar gonsde het steeds harder. Er klonken ook geluiden van de stad, die dieper en zwaarder weergalmden dan de beelden die ze tevoorschijn toverden, tot de flat niet alleen leek mee te schudden op het ritme van het gegons maar ook bij elke zwier en zwaai het tumult van de straat leek op te slokken. Hij had nog nooit zo’n geluid gehoord.

Ziya had nu de lift bereikt. Hij opende de deur en bleef om de een of andere reden staan. Hij keek even om en tuurde de gang in, naar het trappenhuis, waar de aanzwellende geluiden vandaan kwamen, en naar de plastic bloemen die aan elke deur hingen. Het werd hem even zwart voor de ogen. Hij werd zelfs misselijk. Alsof de dingen die hij in zijn binnenste zag in een vieze, donkere brij veranderden die als een golf door hem heen trok. Beter niet blijven stilstaan. Ziya stapte haastig de lift in. Het was de eerste keer dat hij naar de negentiende verdieping ging.

Hij liep naar de deur met nummer 91 en drukte op de bel. Een bruine, stalen deur met een dubbel slot en in het midden een enorm kijkgat. Ook hier hingen, net als bij de andere deuren, plastic bloemen. Aan een van de bloemen was met een rood, zwierig lint een grote talisman bevestigd die op een kamelentong leek. Terwijl Ziya stond te wachten tot de deur openging, staarde hij zonder met zijn ogen te knipperen als gehypnotiseerd naar de talisman. Als de deur niet was opengezwaaid was hij misschien nog wel langer zo blijven staan, maar in de deuropening was mevrouw Binnaz’ dienstmeid met haar honingkleurige ogen verschenen. ‘Zegt u het maar’, zei ze kil en hooghartig. ‘Ik wilde de sleutel afgeven,’ zei Ziya. Hij reikte het meisje de sleutel aan. ‘Nee,’ zei het meisje, en ze deinsde achteruit alsof ze bang was dat ze iets over zich heen zou krijgen. ‘Nee, die kan ik niet aannemen, die kan ik absoluut niet aannemen, die moet u zelf aan mevrouw Binnaz afgeven.’ ‘Goed, dan doe ik dat,’ zei Ziya.

Ze gingen naar binnen, liepen door een lange gang met een groen tapijt, daarna door een benauwde, smalle en mistroostige zijkamer en kwamen toen in de woonkamer. Het was er behoorlijk ruim en licht. Maar wat hem overrompelde was de wankelende berg spullen. Stapels en stapels gestoffeerde stoelen, waar je ook keek. Gekocht bij een antiekwinkel, zonder twijfel. De patronen verschilden, maar allemaal hadden ze ronde poten. Ernaast stonden plompe bijzettafeltjes. Ze waren bedekt met geborduurde kleedjes, erbovenop stonden vazen met lange halzen en glazen suikerpotjes met allerlei frutsels. De nissen in de muren waren gevuld met ladekasten. In de hoek links stonden kartonnen dozen. In het midden, naast de ruisende glittergordijnen, een kolossale kast met hier en daar kantwerk. De hele muur aan de andere kant werd in beslag genomen door nog een kast. Deze overweldigende zee aan meubels deed denken aan een overladen vrachtschip. Hoe meer Ziya ernaar keek, hoe meer het langzaam leek weg te drijven. Hij kon zijn blik er niet van afhouden. Tegelijkertijd voelde hij een tinteling in zijn borstkas, net een klein, warm vogeltje.

Verloren levens, Hasan Ali Toptas, 282 p., 21,95 euro

Metro schenkt tien exemplaren van dit boek weg via onze wedstrijdpagina.