Colin Trevorrow, regisseur van Jurassic World: “Als deze film zou falen, moest het mijn fout zijn en niet die van Spielberg”

Welgeteld één film had regisseur Colin Trevorrow nodig om indruk te maken op Steven Spielberg. De Hollywoodlegende zag Trevorrows lowbudgetdebuut ‘Safety Not Guaranteed’ en wist meteen: deze man moet ‘Jurassic World’ maken, het langverwachte vierde deel in de ‘Jurassic Park’-saga. Een verpletterende verantwoordelijkheid voor een onervaren cineast die plots met miljoenen moest jongleren.

 



Wat was uw reactie toen men u vroeg om ‘Jurassic World’ te regisseren?

Colin Trevorrow: Geloof het of niet, maar ik heb niet meteen ja gezegd. Tot grote verbazing van Spielberg en co. (lacht) Ik vond: als je een ‘Jurassic Park’-film maakt, dan moet dat iets speciaals worden. En het scenario dat op tafel lag toen ze mij contacteerden, was gewoon niet goed genoeg. Ik heb dus gezegd dat ik het script wilde herschrijven met mijn vaste coscenarist Derek Connolly. En dat mocht.

 

Was Spielberg daarbij betrokken?

Ja, heel nauw zelfs. De basisingrediënten van het verhaal komen van hem: een functionerend dinopretpark, een velociraptor-trainer die met zijn dieren kan communiceren, en een grote, genetisch gemanipuleerde dinosaurus die iedereen in gevaar brengt. Tijdens de opnames heeft Steven me dan weer volledig vrijgelaten. Hij bekeek regelmatig de beelden die we gedraaid hadden, maar is niet één keer op de set geweest. Het moest mijn film worden, of het nu goed of slecht uitdraaide. Ik heb Steven vanaf het begin gezegd: “Mocht deze film falen, dan moet dat mijn schuld zijn. Jij zal een legende blijven, en ik zal meteen weer uit Hollywood verdwijnen.” Al heb ik er natuurlijk wel alles aan gedaan om dat laatste te vermijden. (lacht)

 

Vond u het niet angstaanjagend om van een lowbudgetfilm van 700.000 dollar naar een megaproductie van 150 miljoen te gaan?

Nee, integendeel. Ik voelde me meer op mijn gemak met zo’n groot budget. Voluit dingen kunnen bedenken zonder meteen aan het prijskaartje te moeten denken, dat vond ik heel bevrijdend. Het maakte me creatiever.

 

Het vertrekpunt van de film is dat Jurassic World-bezoekers de “normale” dino’s intussen beu gezien zijn. Daarom laten de eigenaars een grotere, luidere en gevaarlijkere soort ontwikkelen. Bestond dat gevaar ook niet bij het maken van de film? Te veel special effects gebruiken, in een poging om het publiek te overbluffen?

Ik was me heel bewust van dat gevaar. Het publiek krijgt tegenwoordig enorm veel special effects voorgeschoteld in de bioscoop, maar ik denk niet dat het daar vragende partij voor is. Volgens mij willen mensen vooral sterke verhalen en personages, ondersteund door knappe computereffecten. Maar die krijgen ze maar zelden.

 

Maar waar trok u dan de grens? Deze film bevat toch tientallen keren meer computerbeelden dan de originele ‘Jurassic Park’ uit 1993? Wanneer wordt het te veel?

Er zijn inderdaad momenten waarop we heel veel special effects gebruikt hebben. Maar die hou ik wel kort. In veel andere blockbusters blijven ze maar eindeloos aanzwellen, tot je helemaal het overzicht verliest. Ik heb ervoor gekozen om meer verschillende actiescènes te filmen, die niet te lang duren. Achter elke sequentie zit één idee. Als dat is uitgewerkt, gaan we over naar de volgende.

 

Spielberg maakte in ‘Jurassic Park’ vaak gebruik van animatronics: levensgrote poppen met een mechanisch skelet. Dat gaf zijn dinosaurussen iets heel tastbaars – voor de kijkers én voor de acteurs. U liet die techniek grotendeels links liggen?

Met de computer kan je tegenwoordig alles. Het was dus logisch om daarvoor te kiezen. ILM, het bedrijf van George Lucas dat ook voor de effecten van de originele ‘Jurassic Park’ instond, vond zelfs dat we best helemaal geen animatronics konden gebruiken. Volgens hen zou zo’n pop er heel erg fake uitzien, in vergelijking met de digitale dinosaurussen. Maar uiteindelijk hebben we toch een animatronic gemaakt van een stervende apatosaurus: toen ze bij ILM het resultaat zagen, moesten ze hun ongelijk toegeven. De andere dino’s zijn zo goed als allemaal digitaal, maar we hebben er wel bewust voor gezorgd dat ze er nog altijd een beetje uitzien als animatronics. Hun bewegingen ogen lichtjes mechanisch, zoals die van de T-Rex in ‘Jurassic Park’, en de huidtexturen lijken op het typische schuim waaruit animatronics gemaakt zijn.

 

Een belangrijk thema in de film is de relatie tussen mens en dier. Waarom wou u het daarover hebben?

Ik wou niet opnieuw een film maken over de gevaren van prutsen aan de natuur. Dat had Steven al gedaan in ‘Jurassic Park’. Ik wilde een wereld tonen waarin we al een hele tijd samenleven met dinosaurussen. Dat levert namelijk een interessante situatie op: wij mensen zijn het gewend om een alfasoort te zijn. We onderwerpen dieren aan onze wil, we gebruiken ze voor landbouw, we testen geneesmiddelen op hen, we sluiten ze op in de zoo. Maar als je dan plots oeroude wezens terugbrengt die veel langer bovenaan de voedselpiramide gestaan hebben dan wij, dan stelt zich de vraag: wie is er hier de alfasoort? Die dynamiek hebben we trouwens ook doorgetrokken naar de relaties tussen de menselijke personages.

 

‘Jurassic World’ moet het begin worden van een nieuwe filmreeks: gaat u ook de sequels regisseren?

Ik denk het niet. Volgens mij is het gezonder voor de franchise dat de producenten op zoek gaan naar nieuwe stemmen en frisse ideeën. Bovendien wil ik graag zoveel mogelijk verschillende dingen doen in mijn carrière. Ik ga binnenkort keuzes maken die mensen echt zullen verbazen. Iedereen gaat denken dat ik niet van geld hou. (lacht)

 

Lieven Trio