Danny Collins

Al Pacino is terug. Na een erg rustig decennium heeft de intussen 75 jaar oude ‘Scarface’-legende weer heel wat nieuwe projecten op stapel staan. Ook de rimpelige rockster die hij vertolkt in ‘Danny Collins’ is toe aan zo’n tweede adem. Danny was ooit een beloftevolle singer-songwriter, maar zwichtte al snel voor het grote geld van de zielloze stadionrock. Vandaag kwelen zijn (inmiddels bejaarde) fans nog steeds elk woord van zijn megahit ‘Baby Doll’ mee. Danny zelf, zo beweert-ie, denkt dan weer elke avond aan zelfmoord. Een verloren brief van John Lennon geeft hem een schop onder de kont: tijd om zijn carrière een nieuwe wending te geven, en de zoon (Bobby Cannavale) die hij ooit bij een groupie verwekte eindelijk te leren kennen. Het verrassendste aan ‘Danny Collins’ is niet dat het scenario voor een stuk gebaseerd is op waargebeurde feiten – in 2005 kreeg folkzanger Steve Tilston met 34 jaar vertraging een brief van Lennon in handen –, maar wel dat de film ondanks de vele clichés toch fris en doorleefd aanvoelt. Zo zie je maar wat een topcast met een middelmatig verhaal kan doen: Pacino, Cannavale, Annette Bening, Christopher Plummer en Jennifer Garner sturen je met een krop in de keel naar huis.

Aantal sterren: 3/5