Al Pacino viert zijn 75e verjaardag – “Ik kan niet stoppen met acteren”

In ‘Danny Collins’ speelt Al Pacino een rockster op leeftijd. En zo ziet hij er eigenlijk ook in het echt uit, wanneer we hem ontmoeten op het Filmfestival van Venetië: zonnebril op de neus, kettingen rond de nek, zware ringen aan elke vinger en ravenzwart geverfde haren – tot en met de ringbaard toe. Alleen de grijze uitgroei verraadt dat de filmlegende van ‘Scarface’ en ‘The Godfather’ niet meer van de jongsten is. Pacino werd onlangs 75, maar heeft nog steeds plezier in zijn werk. “Goesting”, het is een woord waarop hij blijft hameren tijdens ons openhartige gesprek over zijn leven, carrière en gezin.

 



Meneer Pacino, Danny Collins is een uitgebluste zanger die zijn eigen liedjes beu is. Bent u het acteren in al die jaren nooit moe geraakt?

Al Pacino: Nooit. Net zoals iedereen heb ik wel eens periodes gehad waarin de goesting wat minder was, maar dan kwam er altijd wel een of ander project aanwaaien dat me deed heropleven. Acteren is na al die jaren een deel van mijn natuur geworden. Ik zou niet meer zonder kunnen, ik kan niet stoppen.

De laatste tijd vertolkt u nochtans wel vaker artiesten die er geen zin meer in hebben. In ‘The Humbling’ speelde u bijvoorbeeld een gevierde theateracteur die het podium niet meer op wou.

Ja, ik zit in een fase van mijn leven waarin ik zelf heel bewust op zoek ga naar die goesting. Als je je appetijt kwijt raakt, kun je er maar beter mee stoppen. Films maken is niet gemakkelijk, en als je enthousiasme verdwijnt, is het alleen nog maar vermoeiend. Vroeger heb ik me op bepaalde sets wel eens afgevraagd: “Wat sta ik hier in godsnaam te doen?”. Dat was meestal op momenten in mijn leven waar het niet zo goed met me ging: dan nam ik soms rollen aan om toch iets te voelen. Daar heb ik nu geen tijd meer voor. Ik wil alleen nog maar dingen doen die me echt goesting geven, die mijn appetijt aanwakkeren.

U hebt een dochter van 25 en een tweeling van 14. Houden zij u ook jong?

Natuurlijk! Het is altijd een geweldig gevoel om thuis te komen. Wanneer ik de deur open zwaai, voel ik een enorme opluchting. Want van zodra ik bij mijn kinderen ben, draait het plots niet meer allemaal om mij. Dat doet deugd, als je terugkomt van een filmset of een festival, waar je de hele tijd in de spotlight staat.

Hebben uw jongste kinderen uw bekendste films al gezien?

Nee, maar mijn zoon begint er nu wel naar te vragen: “Papa, wat is toch die ‘Scarface’ waar al mijn vrienden het over hebben?” (lacht) Maar ik antwoord dan: “Jongen, ik denk dat het nog te vroeg is om papa in die film aan het werk te zien”. Al vind ik het heel moeilijk om in te schatten wat kinderen wel of niet weten op die leeftijd.

Is ‘Scarface’ de film waar men u nog het vaakst op aanspreekt?

Ik merk dat de film nog altijd veel fans heeft, ja. Maar toen hij uitkwam, hadden we eigenlijk nooit verwacht dat hij zo populair zou worden. Brian De Palma’s aanpak was toch redelijk bijzonder. Dat ‘Scarface’ uitgegroeide tot een klassieker, was dus een aangename verrassing.

Tony Montana is ook nog altijd de held van heel wat hedendaagse criminelen en maffiosi.

Ja… Ik vind dat vooral heel gek, want ik denk niet dat ‘Scarface’ het gangsterleven verheerlijkt. Ik kreeg ooit eens een brief van een bezorgde moeder: haar zoon was fan van Tony Montana. Ik heb die jongen teruggeschreven dat hij de film verkeerd begrepen had. Het is niet omdat we een bepaalde levensstijl tonen, dat we die ook goedkeuren. Ik heb hem uitgelegd dat hij vooral een voorbeeld moest nemen aan de toewijding waarmee de film gemaakt was. En niet aan wat in de film te zien was.

In uw beginjaren had u het erg lastig met uw sterrenstatus. Decennialang gaf u nauwelijks interviews. Nu lijkt u daar beter mee om te kunnen?

Ja. Vroeger begreep ik de adoratie niet. Ik probeerde het hele circus dat bij bekendheid hoort zo veel mogelijk te vermijden. Ik deed inderdaad bijna nooit interviews. Roekeloos was dat, achteraf bekeken. Die tijd is voorbij. Niet dat ik nu plots van mijn status geniet, maar ik kan het beter plaatsen. Onlangs noemde een collega-acteur me op een persconferentie een “god”. Ik neem dat uiteraard niet letterlijk, maar ik heb wel geleerd het te aanvaarden. Ik begrijp nu dat het een uiting van enthousiasme is. En dat het veel moed vergt om zoiets te zeggen.

U had het daarstraks over goesting: wat voor rol wilt u in uw leven zeker nog spelen?

Ik wil absoluut ooit Napoleon spelen. Er zijn er veel die geprobeerd hebben om een scenario over hem te schrijven: de grote Patrice Chéreau, Kubrick… Maar ik wil heel graag iets maken over de laatste dagen van Napoleon op Sint-Helena. Daar zit een geweldig verhaal in. Ik heb onlangs iemand ontmoet die er een prachtig script van gemaakt heeft – speciaal voor mij geschreven. Het zou een TV-serie moeten worden. Als we daarvoor het nodige geld vinden, dan krijgt die rol voorrang op alle andere projecten.

Is tv de nieuwe cinema? Steeds meer gerenommeerde filmmakers en –acteurs werken tegenwoordig ook op het kleine scherm.

Er gebeuren bijzonder interessante dingen op tv, en dat is heel fijn. Maar het moet gezegd: tv kijken is een totaal andere ervaring dan naar de bioscoop gaan. Als je thuis kijkt, kan je pauzeren. Even een kopje koffie gaan halen. Je wordt niet op dezelfde manier ondergedompeld. Bovendien hou ik ook van de gemeenschappelijke beleving die je in de bioscoop hebt. Samen lachen, samen huilen, nadien nog even napraten. Ik hoop dat dat niet helemaal zal verdwijnen.

U bent pas 75 geworden. Denkt u wel eens aan het einde?

Er zijn heel wat dingen waarover ik me het hoofd breek, maar de dood hoort daar niet bij. Ach, wie weet begin ik er morgen plots wel over te piekeren! (lacht)