Voorgeproefd: Drang

‘Of hij nog eens kon bijspringen, voor die finale, op de Heizel…’ Philippe aarzelt geen moment wanneer zijn commissaris hem iets vraagt. Hij is jong en houdt van zijn werk. Hij weet niet dat hij die woensdag getuige zal zijn van een van de grootste voetbalrampen uit de geschiedenis. Het Heizeldrama kost aan 39 mensen het leven. ‘Drang’ gaat over wat mensen doen als het zwaard van Damocles hun hoofd raakt, over het primitieve instinct dat in elk van ons sluimert, en over de constructie die de werkelijkheid wordt genoemd. ‘Drang’ is waargebeurd verzonnen. Zoals de geschiedenis zelf.

De taakjes die Moermans hem gaf, waren onbenullig, eerder bedoeld om hem in stilte bezig te houden dan werkelijk van enig nut. Hij voerde ze traag uit, ritmisch en gestructureerd.



Hij probeerde zichzelf er zo lang mogelijk in te verliezen, want de momenten waarop hij niet geconcentreerd met iets bezig was, kwam het water weer op en zonk hij weg in de diepe zee van twijfel en angst.

Het veranderde toen Moermans rokend zijn kantoor binnenkwam. Hij inhaleerde agressief, alsof hij energie uit de sigaret zoog, of er in de rook een plaats zat waar hij zijn frustraties net kwijt kon.

‘Wanneer moet je bij de gerechtelijke zijn?’ Hij wist steeds meer dan hij liet blijken, kon verduiveld geniepig uit de hoek komen.

‘Deze middag. Tien over drie.’ Hij hoefde het kaartje er niet voor te bekijken. Het voorgestelde uur was zo stipt dat hij het vanzelf onthouden had.

Moermans knikte. Het antwoord stond hem aan. ‘Dan ben je volgende week vrij.’ Hij tikte het askegeltje van zijn sigaret in een bloembak en gaf zijn intenties prijs.

‘Jij gaat naar de onderzoekscommissie. In burger. En je zegt niemand dat je agent bent.’ Onderhandelen lag hem niet, dat deed hij enkel als het niet anders kon. Hij inhaleerde nogmaals en werkte zijn bevel af. ‘Elke dag bezorg je me een verslag. Wat er gezegd is, welke vragen ze gesteld hebben. Alles, met zo veel mogelijk details. Tot ik zelf moet verschijnen.’

Ze hadden het die dag beslist. Er waren verschillende versies en visies, onduidelijkheden, loszittende eindjes. Het was nog te complex, en daarom wilden ze een onderzoekscommissie. De menselijke geest ziet moeilijke dingen graag helder en klaar uitgelegd, en ieder spel kan tenslotte maar één winnaar hebben.

‘We mogen ze niet onderschatten.’ Hij liet de sigaret tussen zijn vingers rollen, jongleerde er handig mee tot ze achterstevoren tussen duim en wijsvinger zat en hij haar weer naar zijn mond bracht. Hij was hardop aan het denken, liet zijn blik ongeconcentreerd over het lagergelegen plein gaan.

De rijkswacht had in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken haar voorbereiding minutieus genoemd. Gespeend van enige schaamte meende ze niets te kunnen aanmerken op de getroffen maatregelen. ‘Een perfecte planning’, had de luitenant-generaal gezegd. Hij had zijn verslagen ostentatief in de lucht gestoken. Wie de hond dacht te slaan, kon zelf gebeten worden.

‘U ziet dus geen mankementen?’ had een volksvertegenwoordiger voor het verslag gevraagd.

‘Uiteraard wel’, had de luitenant-generaal assertief gerepliceerd. ‘Maar die vallen ten laste van ondergeschikten en dient u los te zien van de voorbereidingen en afspraken. Afspraak en uitvoering staan afzonderlijk in dezen.’ Hij had zijn blik van de vraagsteller afgewend en zich tot de voorzitter van de commissie gericht, alsof een gesprek van belang slechts onder heren van stand kon worden gevoerd.

‘Dat de voorbereiding secuur was, wil niet zeggen dat er geen lessen getrokken kunnen worden. Neem nu de eenheid van bevel. Het was een vergissing die los te laten.’ Hij had een hand open in de lucht gehouden, alsof hij iets prijs wilde geven. ‘Er wordt doorgaans voor zo’n eenheid gekozen. Politie buiten en rijkswacht binnen. Of omgekeerd, dat is niet relevant. Maar men wilde dit nu anders. Als u het mij vraagt, een inschattingsfout.’

‘«Men»’, mompelde Moermans. Zijn stem klonk hees en doorleefd. Zijn adamsappel trilde, hij probeerde zich te beheersen. ‘Wie denk je dat mij twee maanden voor de match heeft opgebeld?’ Hij hield zijn vuist als een ingebeelde telefoon tegen zijn oor en imiteerde het klagerig huilstemmetje dat hem had toegesproken. ‘Meneer Moermans, een Europabekerfinale. Heel de wereld kijkt, daar kan de rijkswacht toch niet op ontbreken. We kunnen toch wel iets afspreken?’ Hij klemde de kaken op elkaar, om zich juist toen Philippe bijna medelijden met hem kreeg, weer van zijn griezeligste kant te tonen.

‘Ik ben veel te braaf. Ik blijf ze maar onderschatten.’ Hij sprak over een veldslag en de oorlog, zei dat hij nog een en ander in zijn kast had liggen. ‘Ze hebben Serge boos gemaakt’, besloot hij. Hij waarschuwde iemand ver weg en zei dat hij het spel voortaan wat harder zou spelen. Hij leek het nog te menen ook.

Yannick Ottoy, Drang, Manteau, 256 p., 19,99 euro